Skip content

2016/216/CBE

Beroep tegen de beslissing van het CBE van de Technische Universiteit Delft waarbij het beroep van appellant tegen het aan hem namens de decaan van de Faculteit Elektrotechniek, Wiskunde en Informatica verstrekte bindend negatief studieadvies voor de opleiding Technische Informatica, onngegrond is verklaard.

Zaaknummer: 2016/216
Zittingsdag: Maandag 13 maart 2017
Datum uitspraak: 10-05-2017
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

2.4.1. Het College stelt voorop dat de directeur op grond van het bepaalde in artikel 7.8b, derde lid, van de WHW, appellant slechts een bindend negatief studieadvies kan geven, indien hij met inachtneming van zijn persoonlijke omstandigheden, niet geschikt moet worden geacht voor de opleiding, doordat zijn studieresultaten niet voldoen aan de vereisten die daarover zijn vastgesteld.
2.4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant niet heeft voldaan aan de in artikel 27A, eerste lid, van de OER opgenomen minimumnorm. Appellant heeft in zijn eerste jaar van de opleiding namelijk niet het vereiste aantal van 45 studiepunten behaald. Niettemin heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij niet ongeschikt is voor de opleiding. Hij heeft, naar zijn stelling, met persoonlijke omstandigheden te kampen gehad als gevolg waarvan de studievertraging is opgetreden.
2.4.3. Naar het oordeel van het College heeft de directeur niet, zoals appellant betoogt, een onjuiste maatstaf aangelegd. Voor het in een concreet geval aannemen van ongeschiktheid voor de opleiding, als bedoeld in artikel 7.8b, derde lid, van de WHW is een op de persoon toegesneden beoordeling door het instellingsbestuur noodzakelijk.
Verweerder heeft die beoordeling, in navolging van de directeur, in de bestreden beslissing gemaakt. Hij heeft daarbij als uitgangspunt genomen dat appellant verminderd studiebelastbaar is geweest vanaf april 2016 tot en met 1 september 2016 wegens psychische problematiek. Dit vertaalt zich volgens verweerder in een verminderde studiebelastbaarheid van 50% over een periode van 5 maanden, hetgeen resulteert in een aangepaste norm voor appellant van ten minste 32,5 EC. Naar het oordeel van het College heeft verweerder dat uitgangspunt, waarbij voor appellant aldus een lagere norm wordt aangehouden vanwege zijn persoonlijke omstandigheden, mogen hanteren. Dat appellant, zoals hij stelt gedurende het gehele studiejaar verminderd studiebelastbaar is geweest, volgt het College niet. Daarbij is van belang dat verweerder aan zijn beoordeling een verklaring van de studentpsycholoog ten grondslag heeft gelegd, waaruit volgt dat appellant in de periode van april 2016 tot en met de bestreden besluitvorming aanzienlijk tot licht verminderd studiebelastbaar is geweest. Niet valt in te zien dat verweerder niet van die verklaring heeft mogen uitgaan. Appellant heeft zijn stelling dat hij over het gehele studiejaar verminderd belastbaar is geweest, niet gestaafd met een verklaring van een deskundige.
Wat betreft de door appellant opgeworpen stelling dat hij op grond van de GAF-score een belastbaarheid van slechts 35% zou hebben, heeft verweerder in het verweerschrift en ter zitting van het College gemotiveerd dat het door appellant overgelegde stuk van het Aandachtstekort-hyperkinetisch stoornis centrum is voorgelegd aan het team van psychologen van de Technische Universiteit Delft. Dat team heeft, aldus verweerder, te kennen gegeven de GAF-score niet als maat voor studiebelastbaarheid te zien en dat het hiervan dan ook geen gebruik maakt bij het bepalen van de studiebelastbaarheid. Daarnaast valt, volgens verweerder ter zitting van het College, uit het stuk geen conclusie te trekken, omdat niet duidelijk is van welke instantie het afkomstig is en welke status het stuk heeft. Het stuk lijkt incompleet en daarnaast valt uit het stuk niet op te maken welke invloed de aandachtstekortstoornis van
appellant op zijn studiebelastbaarheid zou hebben gehad, aldus verweerder. Het College kan dit standpunt van verweerder volgen.
Ook het betoog van appellant dat de berekening van verweerder ten onrechte uitgaat van een gelijke verdeling van vakken en studiepunten over het studiejaar, terwijl het zwaartepunt in de laatste maanden van de opleiding ligt, heeft verweerder naar het oordeel van het College adequaat weerlegd. In dat kader heeft verweerder gemotiveerd dat de studiepunten in principe gelijkelijk over het studiejaar zijn verdeeld en dat in maart 2016 met deeltentamens al punten konden worden behaald. Het College ziet geen aanleiding dat standpunt voor onjuist te houden. Verweerder heeft bij zijn beslissing bovendien in aanmerking genomen dat appellant belangrijke wiskundevakken niet heeft behaald en dat hij zich in het eerste jaar heeft aangesloten bij een roeivereniging en fanatiek is gaan roeien.
Het geheel overziend, komt het College tot de slotsom dat voor verweerder geen aanleiding bestond de beslissing van de directeur waarbij aan appellant een bindend negatief studieadvies is verstrekt, te vernietigen.

Downloads