Skip content

2016/248/CBE

Beroep tegen de beslissing van CBE Hogeschool Rotterdam waarbij het beroep van appellant tegen de beslissing van de directie van de Rotterdam Academy hem een negatief studieadvies met een bindende afwijzing te verstrekken voor het AD programma Accountancy, ongegrond is verklaard

Zaaknummer: 2016/248
Zittingsdag: Woensdag 8 februari 2017
Datum uitspraak: 30-06-2017
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

2.4. Het College stelt vast dat appellant en de hogeschool op 30 oktober 2015 in verband met de bij appellant aanwezige dyslexie een Onderwijsovereenkomst studeren met een functiebeperking (lichamelijk of psychisch, chronische ziekte, dyslexie) zijn aangegaan. Volgens deze overeenkomst heeft appellant recht op het maken van tentamens in het dyslectenlocaal en op extra tijd bij tentamens. Afgezien van door appellant vermelde onvolkomenheden bij het afleggen van de tentamens Nederlands en AO Inkoop, is het College niet gebleken dat de door de hogeschool geboden dyslexie-begeleiding te kort is geschoten. Wegens evenbedoelde onvolkomenheden heeft de examencommissie appellant voor de tentamens Nederlands en AO Inkoop voorts een extra herkansing toegestaan. Uiteindelijk heeft appellant in ieder geval het tentamen Nederlands, dat deel uitmaakt van het propedeuseprogramma, gehaald. Gelet hierop acht het College het niet aannemelijk dat het niet voldoen aan de studienorm het gevolg is van onvoldoende dyslexie-begeleiding door de hogeschool. Niet in geschil is dat appellant in het elektronische inschrijfformulier voor de opleiding, zowel de vraag "Heb je last van dyslexie?" als de vraag "Heb je last van een functiebeperking zoals bijvoorbeeld chronische ziekte, psychisch[e] en/of lichamelijke klachten, vermoeidheid, AD(H)D, autisme?" bevestigend heeft beantwoord. Uit de door verweerder en appellant overgelegde stukken kan echter niet worden afgeleid dat appellant, zoals hij stelt, bij de inschrijving medische informatie over zijn leerstoornis en ADD bij de hogeschool heeft ingediend. Verweerder heeft in zijn nadere stukken toegelicht dat het om privacyredenen ook niet mogelijk is dergelijke stukken met het elektronisch inschrijfformulier in te dienen en dat uit navraag is gebleken dat dergelijke stukken ook niet van appellant zijn ontvangen. Volgens verweerder loopt de begeleiding bij beperkingen anders dan dyslexie altijd via de studentendecaan, omdat alleen deze een afweging kan maken over eventueel te treffen extra voorzieningen. Dit wordt bevestigd door de beschrijving van de praktische gang van zaken bij het studeren met een beperking in de door appellant aangehaalde brochure. Appellant is bij e-mail van 7 juli 2015 ook uitgenodigd voor een introductiebijeenkomst voor studenten met een beperking op 21 augustus 2015. In deze e-mail is het volgende vermeld: "Als je niet kunt komen, ga dan in ieder geval in het begin van het studiejaar naar de decaan van de locatie waar je gaat studeren." Appellant heeft niet gesteld dat hij naar die introductiebijeenkomst is geweest. Het is voorts niet in geschil dat appellant zich eerst op 11 juli 2016 met zijn leerstoornis en ADD bij de studentendecaan heeft gemeld. Op dat moment was het te laat om eventuele voorzieningen voor die beperkingen te treffen. Dat appellant door de wisseling van decanen of door de afhoudende opstelling van de hogeschool ten opzichte van zijn ouders geen afspraak bij het decanaat kon maken, heeft hij niet onderbouwd. Gelet op het voorgaande is het College van oordeel dat niet vastgesteld kan worden dat het niet halen van de studienorm het gevolg is van
onvoldoende begeleiding ten aanzien van de leerstoornis en ADD van appellant. Verweerder heeft derhalve terecht het BNSA in stand gelaten. Het betoog faalt.

Downloads