Skip content

2016/256/CBE

Beroep tegen de beslissing van het CBE van de Hogeschool van Amsterdam, waarbij het beroep van appellant tegen de beslissing van de examencommissie hem namens de domeinvoorzitter een bindend negatief studieadvies te verstrekken voor de opleiding Media, Informatie en Communicatie, ongegrond is verklaard.

Zaaknummer: 2016/256
Zittingsdag: Woensdag 12 april 2017
Datum uitspraak: 03-05-2017
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

2.4. Appellant voert terecht aan dat het CBE in de beslissing van 15 november 2016 geen enkele motivering geeft voor de conclusie dat appellant het causaal verband niet heeft aangetoond en de examencommissie daarom een BNSA heeft mogen geven. De beslissing komt daarom wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking. Hetgeen appellant heeft aangevoerd over het rechtszekerheidsbeginsel behoeft geen bespreking meer.
2.5. In het verweerschrift heeft het CBE alsnog gemotiveerd waarom het tot haar beslissing van 15 november 2016 is gekomen. Gelet hierop, ziet het College aanleiding om te bezien of de rechtsgevolgen van de beslissing in stand kunnen blijven.
[…]
2.7.1. Uit het advies van 26 augustus 2016 van de studentendecaan blijkt dat deze van oordeel is dat de psychische klachten van appellant en de door hem daarover overgelegde stukken van psychologen -mede bezien in het licht van de door de Hogeschool voor appellant getroffen voorzieningen- deels maar niet volledig zijn geringe studievoortgang verklaren. Dat advies komt het College niet onzorgvuldig of onjuist voor. Bovendien heeft appellant ter zitting toegelicht dat hij sinds januari 2016 minder hinder ervaart van zijn psychische klachten, doch uit de zich in het dossier bevindende cijferlijst blijkt dat de studievoortgang van appellant in die periode niet is verbeterd.
Daargelaten de vraag of appellant zijn heupaandoening tijdig heeft gemeld, is het College van oordeel dat het CBE zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het niet aannemelijk is dat die aandoening invloed heeft gehad op de studievoorgang van appellant. Hij heeft immers zelf gesteld dat hij 99% van de lessen heeft bijgewoond. Appellant heeft niet in het studiejaar 2015-2016 vlak voor of na een tentamen gemeld dat hij dat niet heeft kunnen maken omdat hij door zijn heupaandoening niet in staat was naar de tentamenlocatie te komen. Bovendien had daarvoor door appellant of door de Hogeschool, zoals het CBE ter zitting heeft toegelicht, een voorziening kunnen worden getroffen. Met de overgelegde medische verklaring heeft appellant evenmin aannemelijk gemaakt dat zijn heupaandoening zijn studieresultaten nadelig heeft beïnvloed. In die verklaring is immers niet vermeld op welke wijze de aandoening zijn studievoortgang kan of zal beïnvloeden.
Uit artikel 2.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit blijkt dat de door appellant gestelde uithuisplaatsing geen persoonlijke omstandigheid als bedoeld in artikel 7.8b, derde lid, van de WHW is. Reeds omdat die uithuisplaatsing bij het opleggen van een BNSA niet in acht behoefde te worden genomen, heeft het CBE mogen weigeren de na het sluiten van het onderzoek daaromtrent overgelegde bewijsstukken aan het dossier toe te voegen.
Gelet op het voorgaande is het CBE terecht tot het oordeel gekomen dat de examencommissie appellant een BNSA heeft mogen geven. Het College ziet daarin aanleiding om de rechtsgevolgen van de beslissing van 15 november 2016 in stand te laten.

Downloads