Skip content

2016/257/CBE

Beroep tegen de beslissing van het CBE van de Hogeschool van Amsterdam, waarbij het beroep van appellant tegen de beslissing van de examencommissie het eerder aan hem uitgereikte getuigschrift wegens een administratieve omissie ongeldig te verklaren en terug te vorderen, ongegrond is verklaard.

Zaaknummer: 2015/257
Zittingsdag: Maandag 19 juni 2017
Datum uitspraak: 17-07-2017
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen: 2.3.2. In hetgeen appellant aanvoert, ziet het College geen grond voor het oordeel dat de beslissing van verweerder niet in stand kan blijven. Het College overweegt daartoe als volgt. De examencommissie is het orgaan dat op objectieve en deskundige wijze vaststelt of een student voldoet aan de voorwaarden die de onderwijs- en examenregeling stelt ten aanzien van kennis, inzicht en vaardigheden die nodig zijn voor het verkrijgen van een graad. In dat verband is de examencommissie het orgaan dat getuigschriften en diploma's uitreikt ten bewijze dat een opleiding met goed gevolg is afgelegd. Gelet op deze taak en bevoegdheid is de examencommissie tevens bevoegd een getuigschrift of diploma in te trekken indien zij vaststelt dat een student niet aan voormelde voorwaarden voldoet.
In dit geval heeft de examencommissie terecht het diploma van appellant ingetrokken. Daartoe overweegt het College dat voldoende vaststaat dat examinator Perotti de afstudeeropdracht met een 5,0 heeft beoordeeld en dat hij dit tijdens het afstudeergesprek op 1 april 2016 aan appellant heeft medegedeeld. In dat verband is van belang dat in het dossier een door examinator Perotti ondertekend resultatenformulier van 1 april 2016 is opgenomen waarop het cijfer 5,0 is vermeld. Ook heeft appellant op 1 april 2016 een e-mail ontvangen vanuit de resultatenadministratie waarin is vermeld dat hij een 5,0 heeft behaald voor zijn afstudeeropdracht. Voorts bevindt zich in het dossier een e-mail van 1 april 2016, afkomstig van examinator Perotti en gericht aan appellant waarin aan hem informatie wordt verstrekt over het maken van een nieuwe afstudeeropdracht. Dat appellant in de veronderstelling was dat het een automatisch gegenereerde e-mail betrof, wat daar ook van zij, doet daaraan niet af. Gelet op het vorenstaande had het voor appellant dan ook duidelijk kunnen en moeten zijn dat het cijfer 5,9 dat examinator Perotti op 17 mei 2016 in het administratief systeem had ingevoerd een kennelijke vergissing betrof, te meer daar appellant wist dat voor het succesvol afronden van de afstudeeropdracht het noodzakelijk is dat de afstudeeropdracht wordt verdedigd. Appellant heeft ter zitting van het College verklaard dat geen verdediging heeft plaatsgevonden. Het betoog dat geen sprake is geweest van een administratieve fout faalt daarom.
De stelling van appellant dat de examencommissie niet bevoegd is om een uitslag van een examen te wijzigen en dat, voor zover haar wel enige bevoegdheid toekomt, zij daarmee te laat is, faalt. Het betreft hier niet het wijzigen van een uitslag, maar het herstellen van een administratieve fout.
Het betoog van appellant dat van het gesprek op 1 april in strijd met de artikelen 5.6, lid 3 en 5.7, lid 3 van de Onderwijs- en Examenregeling geen verslag is gemaakt en dat het voor hem niet mogelijk was om de beoordeling van zijn afstudeeropdracht te controleren, kan hem niet baten, omdat dat betoog ziet op de vaststelling van het cijfer. Dat is hier niet aan de orde. Het betoog dat is gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel doordat de beoordeling tijdens het afstudeergesprek niet is vastgelegd, faalt om dezelfde reden.
Het betoog faalt.

Downloads