Skip content

2017/035/CBE

Beroep tegen de beslissing van CBE Rijksuniversiteit Groningen, waarbij het beroep van appellante tegen de beslissing van de examinator haar een onvoldoende toe te kennen voor het vak Onderzoek master lerarenopleiding, ongegrond is verklaard.

Zaaknummer: 2017/035
Zittingsdag: Donderdag 4 mei 2017
Datum uitspraak: 02-06-2017
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

2.3.2. In hetgeen appellante aanvoert, ziet het College geen grond voor het oordeel dat verweerder de beslissingen van de examinator ten onrechte in stand heeft gelaten. Het College overweegt daartoe als volgt.
De gronden die appellante aanvoert over de procedure tot aan de uitspraak van het College van 4 juli 2016 moeten thans buiten beschouwing blijven. Het College stelt vast dat appellante geen voorziening heeft aangevraagd in verband met haar functiebeperkingen. Het lag op de weg van appellante een dergelijke voorziening aan te vragen. De stelling dat ze vermoedelijk geen medische verklaring zou hebben gekregen ter ondersteuning van haar aanvraag doet daar niet aan af. Voorts is niet gebleken dat zij met de studentendecaan en de examencommissie in gesprek is gegaan over haar functiebeperkingen. Voorts kan appellante niet worden gevolgd in haar stelling dat de examinator haar in dit geval had moeten adviseren de tentamens niet te maken dan wel op andere wijze had moeten ingrijpen. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van een student om een inschatting te maken of hij in staat is een tentamen af te leggen. Evenmin wordt appellante gevolgd in haar stelling dat de examinator haar had moeten adviseren een verzoek te doen om het tentamen in een andere vorm af te leggen. Het doen van een dergelijke aanvraag behoort eveneens tot de eigen verantwoordelijkheid van de student. Het College stelt overigens vast dat appellante voor het afleggen van het tentamen Vakdidactiek 2 extra tijd heeft gekregen.
Over de beoordeling van het tentamen van het vak Vakdidactiek 2 stelt het College vast dat de beoordelingscriteria zijn neergelegd in de “Opdracht tentamen Vakdidactiek 2 – 20 april 2015 09.00 – 18.00 uur” en de rubric Vakdidactiek 2. De beoordeling heeft overeenkomstig deze criteria plaatsgevonden. Appellante kan niet worden gevolgd in haar stelling dat de examinator achteraf een negatief beoordelingscriterium heeft toegevoegd en dat hij een bestaand beoordelingscriterium buiten beschouwing heeft gelaten. Mede gelet op hetgeen de examinator ter zitting heeft gezegd volgt het College verweerder in zijn uitleg dat de examinator in de toelichting onder de rubrics een samenvatting heeft gegeven van de criteria met betrekking tot de kwaliteit van de verantwoording en niet een nieuw criterium introduceert. Het College heeft vastgesteld dat de examinator niet een criterium buiten beschouwing heeft gelaten. Voor zover appellante het niet eens is met de inhoud van de beoordeling en met de beoordelingscriteria zelf wordt opgemerkt dat het College, gelet op het hiervoor weergegeven toetsingskader, daarover geen oordeel kan geven.
Over de beoordeling van het tentamen van het vak Onderzoek master lerarenopleiding stelt het College vast dat de beoordeling heeft plaatsgevonden aan de hand van de handleiding Onderzoek master lerarenopleiding 2014-2015. Deze handleiding was tijdig voor appellante beschikbaar, hetgeen door haar is erkend. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van appellante om tijdig van deze handleiding kennis te nemen. Dat zij dat niet heeft gedaan, komt voor haar rekening en risico. Uit de Handleiding volgt dat appellante de keuze had om het tentamen individueel of in groepsverband te maken. Ter zitting van het College is gebleken dat
appellante niet het initiatief heeft genomen om het tentamen individueel te maken, maar dat zij zich bewust heeft aangesloten bij een groep. De beoordeling van het tentamen heeft plaatsgevonden overeenkomstig hetgeen in de handleiding is vermeld. In die handleiding is onder meer opgenomen dat het cijfer van het individu kan worden aangepast aan het werkproces in de groep. Daartoe moet de docent kennis vergaren over het groepsproces. Niet kan worden gezegd dat het bevragen van de groepsleden via een formulier daartoe een ongeschikte methode is. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de examinator de beoordeling ten onrechte mede heeft gebaseerd op de door de groepsleden ingevulde beoordelingsformulieren. Het betoog van appellante dat zij het niet eens is met de motivering van de beoordeling door de examinator en met de beoordelingscriteria kan, gelet op het hiervoor weergegeven toetsingskader, hier niet aan de orde kan komen.
Het betoog faalt.

Downloads