Skip content

2017/057/CBE

Beroep tegen de beslissing van CBE Hogeschool Arnhem en Nijmegen waarbij het beroep van appellant tegen de beoordeling en begeleiding van de afstudeeropdracht opleiding Informatica, ongegrond is verklaard.

Zaaknummer: 2017/057
Zittingsdag: Maandag 19 juni 2017
Datum uitspraak: 31-08-2017
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen: 2.3.1. Ingevolge artikel 7.66, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: WHW), gelezen in verbinding met artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit, inhoudende een beoordeling van kennen en kunnen van een kandidaat of leerling die ter zake is geëxamineerd of op enigerlei andere wijze is getoetst, dan wel inhoudende de vaststelling van opgaven, beoordelingsnormen of nadere regels voor die examinering of toetsing. Deze bepalingen staan eraan in de weg dat door het instellen van beroep tegen een beslissing van het CBE een oordeel van de bestuursrechter wordt verkregen over een beslissing die als zodanig van bestuursrechtelijke rechtsbescherming is uitgezonderd. Dit betekent dat het College slechts kan onderzoeken of het CBE terecht de vaststelling van de cijfers in stand heeft gelaten omdat bij de beoordeling door de examinator van de door appellant afgelegde cursussen aan de voorschriften van procedurele aard die bij of krachtens de Awb, de WHW of enige andere wet in formele zin zijn gesteld, is voldaan.
2.3.2. Ten aanzien van de door appellant gestelde onzorgvuldigheden die volgens hem bij zowel de beoordeling alsook de rechtsbeschermingsprocedure hebben plaatsgevonden, overweegt het College dat de aanpak van zowel het CBE als de examencommissie beter had gekund. Evenwel is niet gebleken van zodanige onzorgvuldigheden dat de beslissing van het CBE en de examencommissie om die reden zou moeten worden vernietigd. In het gesprek van 20 juni 2016 is aan appellant medegedeeld dat de beoordeling van zijn afstudeeropdracht nog niet definitief is, omdat de examencommissie uiteindelijk de afstudeeropdracht zal beoordelen. In de afstudeerhandleiding is voldoende duidelijk uiteengezet hoe de afstudeeropdracht moet worden gemaakt en wat de procedurele gang van zaken is. Het is het College niet gebleken dat de begeleiding niet in overeenstemming met de afstudeerhandleiding heeft plaatsgevonden. Ook anderszins is het College niet gebleken dat de hogeschool is tekortgeschoten in haar zorgplicht jegens appellant. Het College neemt daarbij in aanmerking dat er voldoende feedback-momenten zijn geweest. Voor appellant had het dan ook duidelijk moeten zijn wat hij moest doen om een voldoende voor zijn afstudeeropdracht te behalen. Wat betreft de onjuiste vermelding van zijn cijfer in het ICT-systeem merkt het College op dat het cijfer uiteindelijk correct in het systeem is opgenomen.
Ten aanzien van de beoordeling van de afstudeeropdracht overweegt het College dat niet is gebleken dat procedurele voorschriften niet in acht zijn genomen. De beoordeling heeft plaatsgevonden aan de hand van de voorgeschreven beoordelingsformulieren. De aanpak van de examencommissie, te weten het geven van een aanvullende opdracht aan appellant en het beoordelen hiervan in samenhang met de eerdere opdracht, is conform de afstudeerhandleiding en is in dit concrete geval niet kennelijk onredelijk. Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat de beoordeling slechts gebaseerd moet zijn op de uitvoering van het aanvullende plan van aanpak. Voorts bestond geen aanleiding om nieuwe beoordelaars aan te wijzen, omdat de beoordelaars weinig verschilden in hun oordeel. Het College betrekt hierbij de omstandigheid dat de beoordeling expertise vergt die niet ruim voorhanden is binnen de hogeschool. Hetgeen appellant inhoudelijk tegen de beoordeling aanvoert, kan gelet op voormeld toetsingskader hier niet aan de orde komen.
Wat betreft het betoog van appellant dat voorafgaand aan de zitting bij het CBE geen poging tot een minnelijke schikking heeft plaatsgevonden, overweegt het College dat gelet op de vele contacten die tussen de examencommissie, de examinatoren en appellant hebben plaatsgevonden, het College van Beroep voor de Examens, de examencommissie volgend, zich in dit geval op het standpunt heeft mogen stellen dat een minnelijke schikking achterwege gelaten mocht worden, omdat deze niets toe zou voegen.
Ten aanzien van de vaststelling van het eindcijfer overweegt het College dat de toegepaste rekenregels noch in de OER noch in de afstudeerhandleiding dan wel in een ander document voorkomen. Door het CBE is dit ook in zijn beslissing erkend. Gelet hierop had het op de weg van het CBE gelegen om de beslissing van de examencommissie in zoverre te vernietigen en de examencommissie op te dragen het eindcijfer opnieuw vast te stellen conform de rekenregels zoals die in de OER en de afstudeerhandleiding staan vermeld.
Het betoog slaagt in zoverre.

Downloads