Skip content

2017/064.5/CBE

Zaaknummer: 2017/064.5
Zittingsdag: Donderdag 4 mei 2017
Datum uitspraak: 19-06-2017
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen: 2.4.2. Het College stelt vast dat verweerder het beroep van appellante gegrond heeft verklaard. Gelet hierop en gelet op artikel 7.61, vijfde lid, van de WHW diende verweerder de beslissing van de examencommissie te vernietigen. Verweerder heeft niet de bevoegdheid om de rechtsgevolgen van die beslissing in stand te laten. Reeds hieruit volgt dat het beroep gegrond is. De beslissing van verweerder van 6 maart 2017 dient te worden vernietigd. Het College ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van die beslissing in stand te laten. Daartoe overweegt het College als volgt.
Verweerder heeft de beslissing van de examencommissie uitsluitend vernietigd op grond van de omstandigheid dat geen poging tot een minnelijke schikking heeft plaatsgevonden. Uit de stukken blijkt dat de examencommissie appelante naar aanleiding van de fraudemelding heeft uitgenodigd voor een hoorzitting en dat haar voorts de mogelijkheid is geboden om schriftelijk commentaar te leveren op de fraudemelding door de betrokken docent. Appellante is op de hoorzitting verschenen en haar is de mogelijkheid geboden om haar verhaal te vertellen, haar schriftelijke reactie verder toe te lichten en enkele vragen van de examencommissie te beantwoorden. Omdat docent Steyger bij de hoorzitting niet aanwezig kon zijn, heeft zij een reactie op de zittingsaantekeningen gegeven en vervolgens is appellante in de gelegenheid gesteld te reageren op de reactie van de docent. Ter zitting van het College is voorts door de gemachtigde van appellante verklaard dat gelet op het uitgebreide voortraject en het feit dat daarin is gebleken dat de standpunten aan beide zijden ver uit elkaar liggen, het thans nog ondernemen van een poging tot een minnelijke schikking zinledig is. Het College is van oordeel dat onder die omstandigheden een vernietiging met de opdracht het gebleken gebrek te herstellen alvorens opnieuw te beslissen geen effect zal sorteren.
Het College ziet in het enkele feit dat niet een ondertekende beslissing aan appellante is toegezonden geen grond voor het oordeel dat die beslissing om die reden niet in stand kan blijven. Voldoende aannemelijk is dat de beslissing is ondertekend en dat de ondertekende beslissing bij verweerder berust.
Het College is voorts van oordeel dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat appellante fraude heeft gepleegd. Daartoe overweegt het College dat zowel op het voorblad van de tentamenopgaven alsook in de syllabus is vermeld dat bij het maken van het eerste deel van het examen uitsluitend een niet-geannoteerde wetgevingseditie is toegestaan. Alleen bij het maken van het tweede deel was het toegestaan om gebruik te maken van literatuur, waaronder begrepen de syllabus. In artikel VIII, tweede lid, aanhef en onder a, van het Examenreglement is bepaald dat als fraude in ieder geval wordt aangemerkt het tijdens het tentamen in het bezit zijn van hulpmiddelen waarvan de raadpleging niet uitdrukkelijk is toegestaan. Verweerder heeft terecht betoogd dat onder dit begrip in deze situatie moet worden verstaan bezit met het oog op raadpleging daarvan. Dit betekent dat wanneer de hulpmiddelen zijn opgeborgen waardoor raadpleging daarvan niet mogelijk is, er geen sprake is van fraude. Appellante kan dan ook niet worden gevolgd in haar stelling dat alle studenten zich schuldig hebben gemaakt aan fraude. Appellante had tijdens het eerste deel van het examen andere literatuur dan de wettekst op haar tafel liggen zodat deze konden worden geraadpleegd en heeft dat blijkens haar eigen verklaring ook gedaan. Verweerder heeft terecht besloten dat zij aldus fraude als bedoeld in voormeld artikel heeft gepleegd. Voorts faalt het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel. Het College acht daartoe van belang dat de situatie van appellante niet gelijk te stellen is met die van de twee andere studenten. Appellante heeft bij het tentamen gebruik gemaakt van de syllabus. Dat was bij de twee studenten niet het geval. Bij hen is kort na aanvang van het tentamen slechts geconstateerd dat zij hulpmiddelen op hun tas naast de tafel hadden liggen, waarna hen is verzocht deze hulpmiddelen in de tas op te bergen.

Downloads