Skip content

2017/066.5/CBE

Beroep tegen de beslissing van het CBE van de Universiteit van Amsterdam waarbij het administratief beroep van appellant tegen de afwijzende beslissing van de Examencommissie Geneeskunde op het verzoek tot verlenging van de geldigheidsduur van eerder behaalde tentamenresultaten te verlengen, ongegrond is verklaard.

Zaaknummer: 2017/066.5
Zittingsdag: Woensdag 24 mei 2017
Datum uitspraak: 21-06-2017
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen: Het beroep op het vertrouwensbeginsel
2.3.1. Aan de brief van de examencommissie van 8 mei 2009 heeft appellant, anders dan hij aanvoert, niet het gerechtvaardigde vertrouwen mogen ontlenen dat de geldigheidsduur van zijn tentamens was verlengd. Die brief bevat immers geen mededeling van die strekking. Dat de examencommissie appellant in die brief toestemming heeft gegeven deel te nemen aan een aantal tentamens van het Curius curriculum, onder de voorwaarde dat hij in augustus 2009 een voldoende behaalt voor Blok 14 – ‘Zenuwstelsel’, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat appellant niet aan die voorwaarde heeft voldaan.
Ook de brief van de examencommissie van 14 oktober 2009 biedt geen grond voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. In die brief staat immers uitdrukkelijk dat het op 28 september 2009 ingediende verzoek om de geldigheidsduur van behaalde tentamens te verlengen, niet kan worden gehonoreerd. Dat in die brief ook staat dat appellant na het behalen van alle onderdelen van het doctoraal een nieuw verzoek tot verlenging kan indienen, betekent niet dat hij erop mocht vertrouwen dat een volgend verzoek zou worden gehonoreerd. Immers, nog daargelaten dat ten tijde van belang meer dan zeven jaren waren verstreken sinds de verzending van de brief van 28 september 2009, bevat die brief geen toezeggingen ten aanzien van een eventueel volgend verlengingsverzoek.
Appellants stelling dat hij de brief van 14 oktober 2009 nooit heeft ontvangen, kan hem evenmin baten. Dat zou immers betekenen dat hij nooit een beslissing heeft gekregen op zijn verzoek van 28 september 2009, waaraan niet gelijk kan worden gesteld, noch het vertrouwen kan worden ontleend, dat toestemming is verleend.
Dat appellant na voormelde brieven met toestemming van de studieadviseur heeft deelgenomen aan tentamens, is evenmin voldoende voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. De vraag of appellant volgens de studieadviseur aan een tentamen mag deelnemen, staat immers los van de vraag of de resultaten van inmiddels afgelegde tentamens naar het oordeel van de examencommissie nog geldig zijn. Dit onderscheid moet voor appellant duidelijk zijn geweest, nu hij in ieder geval in de bij het verweerschrift gevoegde e-mail van de onderwijsadministratie van 4 augustus 2014 uitdrukkelijk erop is gewezen dat hij een verlengingsverzoek moest indienen indien in zijn geval sprake was van tentamenresultaten waarvan de geldigheidsduur was verstreken. Dat hij desondanks zonder het indienen van een dergelijk verzoek heeft deelgenomen aan tentamens blijft daarom voor zijn risico.
Ook aan de ‘Regeling coschapprogramma voor studenten ongedeelde opleiding’ (hierna: de regeling) heeft appellant niet het vertrouwen mogen ontlenen dat zijn tentamenresultaten waren verlengd. Hiervoor is reeds redengevend dat die regeling, anders dan appellant betoogt, niet een ongeclausuleerde verlenging van alle verlopen tentamenresultaten van alle studenten behelst.
Gelet op het vorenstaande faalt het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel.

Kennis voldoende actueel
2.3.2. Dat appellant tijdens de door hem nog te volgen coschappen intensief zal worden begeleid en beoordeeld en dat daarbij aan het licht zal komen of hij beschikt over voldoende actuele kennis, betekent niet dat de examencommissie gehouden was in te stemmen met het verlengingsverzoek. Mede in aanmerking genomen de ten aanzien van patiënten geldende zorgplicht, verwacht de examencommissie van appellant terecht dat hij aantoont dat hij over de vereiste actuele kennis beschikt voordat hij aan zijn coschappen begint. Verweerder heeft de examencommissie terecht gevolgd in haar standpunt dat appellant hierin niet is geslaagd. Dat hij al geruime tijd werkzaam is bij het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam als doktersassistent, is hiertoe onvoldoende. Appellant heeft geen objectieve en verifieerbare informatie over zijn werkzaamheden overgelegd, en evenmin geconcretiseerd waaruit blijkt dat hij als gevolg van die werkzaamheden beschikt over de vereiste actuele kennis ten aanzien van de vakken waarop de vervallen tentamenresultaten betrekking hebben.
Dat zijn kennis niet ouder is dan de kennis van de categorieën studenten die volgens de Regeling nog kunnen opgaan voor het doctoraal- en artsdiploma indien zij aan een aantal eisen voldoen, is verder niet van belang. Appellant heeft immers niet gestaafd dat zijn individuele situatie in relevante zin vergelijkbaar is aan die van die categorieën studenten.
Het College is verder van oordeel dat het door de examencommissie aan appellant geboden alternatief om zijn kennis aan te tonen, namelijk de toets USMLE1, niet onredelijk is. Hierbij neemt het College in aanmerking dat in de bij het verweerschrift gevoegde toelichting staat dat het gaat om een toets die bestaat uit 350 multiple choice vragen, dat het afronden van twee studiejaren van een studie medicijnen volstaat om te mogen deelnemen aan die toets, en dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat in zijn geval praktische bezwaren bestonden tegen deelname aan die toets. De door appellant gestelde voorbereidingstijd van vier tot zes maanden acht het College niet onoverkomelijk, reeds nu –nog daargelaten de juistheid van die stelling- het aanbod om USMLE1 als alternatief te maken dateert van 11 januari 2017 en op dat moment meer dan zes maanden resteerden voor het verstrijken van de wettelijk vastgestelde uiterste datum waarop doctoraal examen kan worden gedaan, te weten 31 augustus 2017. Verder acht het College van belang dat de toets wordt afgenomen in Amsterdam in het Engels. Appellant heeft gesteld dat een deel van zijn studieboeken Engelstalig is en hij heeft ter zitting verklaard dat hij de Engelse taal machtig is.

Hardheidsclausule
2.3.3. Verweerder heeft de examencommissie verder terecht gevolgd in haar standpunt dat handhaving van de maximale geldigheidsduur van behaalde tentamens in het geval van appellant niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, als bedoeld in de in artikel 15.5 van de Onderwijs- en examenregeling geneeskunde neergelegde hardheidsclausule. Voor dit oordeel weegt het College mee dat, gelet op de ten aanzien van patiënten geldende zorgplicht, groot gewicht toekomt aan de belangen die worden gediend met handhaving van de maximale geldigheidsduur van tentamens. Verder weegt het College in het nadeel van appellant mee dat in zijn geval sprake is van een uitzonderlijk lange overschrijding – appellant is negentien jaar geleden met zijn studie begonnen – en dat de examencommissie met het aanbieden van de USMLE1 toets een adequaat alternatief heeft geboden om te voorkomen dat hij niet zou kunnen afstuderen. Dat appellant van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt, blijft voor zijn risico.

Downloads