Skip content

2017/086

Beroep tegen de beslissing van de Universiteit van Amsterdam waarbij het bezwaar van appellante tegen de de toekenning van het rangnummer 467 voor opleiding Geneeskunde, ongegrond is  verklaard.

Zaaknummer: 2017/086
Zittingsdag: Woensdag 12 juli 2017
Datum uitspraak: 19-09-2017
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

2.4.1. Zoals het College eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 8 augustus 2017 in de zaken met de nummers 2017/083 en 2017/084 (www.cbho.nl), volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 7.53, zoals dat op 1 oktober 2016 in werking is getreden, dat de procedure van selectie nader wordt geregeld bij ministeriële regeling. Zo is er in dat verband geregeld dat de instelling de criteria voor decentrale selectie ruim een jaar voor aanvang kenbaar dient te maken. Dit omdat aspirant-studenten zich moeten kunnen prepareren op de te stellen eisen. Dat kan echter knellen in de gevallen dat pas later bekend kan zijn dat er sprake zal zijn van een numerus fixusopleiding. Vanuit deze perspectieven zal de procedure in de ministeriële regeling bezien worden (Kamerstukken II 2012/13, 33 519, nr. 3, p. 41).
De in deze passages genoemde ministeriële regeling is de Regeling aanmelding en toelating hoger onderwijs. In die regeling is niet bepaald wanneer de criteria voor de decentrale selectie bekend moeten worden gemaakt.
2.4.2. Uit het voorgaande volgt dat de criteria voor de decentrale selectie “tijdig” bekend moeten worden gemaakt. In de wet noch de ministeriële regeling is echter gepreciseerd op welk moment de bekendmaking moet hebben plaatsgevonden om “tijdig” te zijn. In het aanvullend verweerschrift van 4 juli 2017 heeft verweerder toegelicht dat de Regeling decentrale selectiecriteria op 6 september 2016 is vastgesteld en eind september op de website is geplaatst. Mede gelet op de omstandigheid dat artikel 7.53 zoals dat thans luidt, eerst op 1 oktober 2016 in werking is getreden, acht het College de bekendmaking van de Regeling decentrale selectiecriteria eind september 2016 tijdig en derhalve niet in strijd met de WHW.
Het betoog faalt.
2.5. Verder betoogt appellante dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 7.53 van de WHW volgt dat een selectieprocedure dient te bestaan uit een combinatie van ten minste twee soorten selectiecriteria. Bovendien mag de selectie niet plaatsvinden op basis van alleen cijfers. Volgens appellante staat vast dat de selectieprocedure in dit geval enkel heeft bestaan uit toetsing aan één selectiecriterium, namelijk alleen toetsing van cognitieve vaardigheden. Verweerder heeft miskend dat hij buiten de aan hem toegekende beleidsvrijheid is getreden door in de eerste ronde alleen cognitieve vaardigheden te toetsen en pas in de tweede ronde te toetsen op non-cognitieve vaardigheden. Uit de geschiedenis van de totstandkoming volgt namelijk, aldus appellante, dat ook in het geval de selectieprocedure uit meerdere rondes bestaat, alle kandidaten dienen te worden geselecteerd op basis van ten minste twee soorten kwalitatieve selectiecriteria. Daarom voldoet de selectieprocedure niet aan artikel 7.53, tweede lid, van de WHW, aldus appellante.
2.5.1. Het College stelt, wat betreft dit betoog, voorop dat de wetgever met betrekking tot de decentrale selectie en derhalve tot de daarbij in aanmerking te nemen bijzondere kwalificaties en selectiecriteria aan het college van bestuur een grote beleidsruimte heeft toegekend (vgl. de uitspraak van het College van 5 november 2015 in zaak nr. 2015/202; www.cbho.nl).
Daarbij dient wel in acht te worden genomen dat artikel 7.53, tweede lid, van de WHW vereist dat uitsluitend op grond van kwalitatieve criteria wordt geselecteerd en dat het aantal soorten kwalitatieve selectiecriteria ten minste twee bedraagt. In het licht van het door appellante aangedragen betoog, dient daarom te worden beoordeeld of verweerder met de vastgestelde selectiecriteria aan deze vereisten heeft voldaan.
2.5.2. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 7.53 van de WHW (Kamerstukken II 2012/13, 33 519, nr. 3), die ook appellante heeft aangehaald, volgt dat de wetgever de toelating via loting niet (meer) in een stelsel vindt passen waarin de afstemming tussen student en opleiding versterkt moet worden. Indien het aantal aanmeldingen groter is dan het aantal opleidingsplaatsen ontstaat er van rechtswege een numerus fixus. De opleidingsplaatsen worden in dat geval geheel door de instelling verdeeld via (decentrale) selectie van de aspirant-studenten. De instellingen bepalen de selectiecriteria en -procedures, met dien verstande dat een combinatie van ten minste twee soorten kwalitatieve criteria dient te worden gehanteerd. De instellingen stellen aldus vast welke criteria relevant zijn om de meest geschikte student toe te laten tot een dergelijke numerus fixusopleiding, aldus de wetgever. Dit zou volgens de wetgever bijvoorbeeld een criterium ten aanzien van eindexamencijfers kunnen zijn en een ander criterium waaruit affiniteit met het werkveld of motivatie voor de opleiding blijkt. Met de invoering van de decentrale selectie, zo begrijpt het College uit de geschiedenis van de totstandkoming, wordt de positie van alle aspirant-studenten bij opleidingen met een numerus fixus gelijkwaardig.
Wat het vaststellen van de selectiecriteria betreft, heeft de wetgever beoogd toelating niet uitsluitend te laten plaatsvinden op het criterium eindexamencijfers. Volgens de wetgever zal bij een toelatingsprocedure als voorwaarde gaan gelden dat het moet gaan om een combinatie van ten minste twee soorten toelatingseisen, bijvoorbeeld een combinatie van één of meer eisen die betrekking hebben op cognitieve eigenschappen en één of meer eisen die betrekking hebben op non-cognitieve eigenschappen. Dit doet, aldus de wetgever, recht aan het feit dat studiesucces door diverse factoren wordt beïnvloed, zoals persoonlijkheidskenmerken, eerdere onderwijsprestaties en motivatie van de aspirant-student en organisatiekenmerken van de opleiding. Verder volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van voormelde bepaling (Kamerstukken II, 2012/13, 33 519, nr.6) dat met kwalitatieve criteria worden bedoeld criteria die te maken hebben met de kwaliteiten van de student.
2.5.3. Verweerder heeft in het aanvullende verweerschrift toegelicht dat de eerste ronde van de selectie bestaat uit het afleggen van twee toetsen. De eerste toets dient te worden voorbereid. De aspirant-student bekijkt thuis een online-videocollege en bestudeert het materiaal daarover. Vervolgens legt de aspirant-student een toets af. Aan de hand van die toets wordt, aldus verweerder, beoordeeld of de aspirant-student hoofdzaken van bijzaken kan onderscheiden, of hij logisch kan redeneren en of hij oog heeft voor detail. De tweede toets behoeft geen voorbereiding. Dit betreft een multiple choice toets, waarmee wordt getest of de aspirant-student Vwo-basiskennis over natuurwetenschappelijke principes kan toepassen in een medisch-biologische context. De tweede toets kwalificeert als een cognitieve toets, aldus verweerder. De eerste toets is evenwel aan te merken als een studievaardighedentoets en toetst non-cognitieve vaardigheden als motivatie en de planning van studieactiviteiten, aldus verweerder in het aanvullende verweerschrift.
2.5.4. Het College ziet noch in de tekst van artikel 7.53, tweede lid, van de WHW, noch in de geschiedenis van de totstandkoming van
deze bepaling, grond voor het oordeel dat, zoals appellant voorstaat, de selectiecriteria dienen te bestaan uit een combinatie van ten minste één cognitief en één non-cognitief selectiecriterium. Uit de hiervoor weergegeven geschiedenis van de totstandkoming van artikel 7.53, tweede lid, van de WHW volgt dat de wetgever als voorbeeld heeft aangehaald een combinatie van één of meer eisen die betrekking hebben op cognitieve eigenschappen en één of meer eisen die betrekking hebben op non-cognitieve eigenschappen. Dat betekent echter niet dat alleen zo’n combinatie van eisen voldoet aan de in artikel 7.53, tweede lid, van de WHW neergelegde vereisten. Naar het oordeel van het College heeft verweerder bovendien met de vaststelling van de selectiecriteria voor de bacheloropleiding Geneeskunde, anders dan appellante betoogt, niet in strijd gehandeld met de in artikel 7.53, tweede lid, van de WHW neergelegde vereisten. Daarbij neemt het College in de eerste plaats in aanmerking dat vaststaat dat verweerder niet uitsluitend heeft geselecteerd op eindexamencijfers. Verder heeft verweerder gemotiveerd dat met de twee toetsen, die verschillend van aard zijn, van elkaar te onderscheiden kwaliteiten en vaardigheden van de aspirant-studenten worden getoetst. Niet alleen wordt, zoals verweerder heeft toegelicht, getoetst op kennis, maar ook op kwaliteiten als motivatie en studieplanning. Dat voor de toetsing van die kwaliteiten en vaardigheden gebruik wordt gemaakt van eenzelfde meetinstrument, te weten het afleggen van een toets, maakt dat oordeel niet anders. Het staat verweerder vrij om, gegeven zijn grote beleidsruimte, niet alleen te bepalen welke selectiecriteria hij passend en relevant acht om de meest geschikte studenten toe te laten tot de opleiding, maar ook op welke wijze en met behulp van welke middelen hij aspirant-studenten wenst te selecteren.
Het College komt tot de slotsom dat de Regeling decentrale selectiecriteria wat betreft de daarin vastgestelde criteria niet in strijd is met artikel 7.53, tweede lid, van de WHW en dat verweerder de grenzen van de hem gegunde beleidsruimte niet heeft overschreden.
2.6. Appellante heeft ter zitting van het College nog naar voren gebracht dat volgens de Regeling decentrale selectiecriteria maximaal 175 deelnemers met de hoogste score op de toetsen direct worden toegelaten tot de opleiding en dat maximaal 288 deelnemers met de hoogste score uit de resterende groep worden uitgenodigd voor de tweede ronde. Uiteindelijk zijn slechts 160 deelnemers direct toegelaten en 279 deelnemers doorgestroomd naar de tweede ronde. Deze verdeling is niet gelijk aan de verdeling neergelegd in voormelde Regeling. De door verweerder vastgestelde normering dat aspirant-studenten met een score tussen de 64% en 70% worden uitgenodigd voor de tweede ronde, vindt geen grondslag in de Regeling decentrale selectiecriteria.
Ook betoogt appellante in dit kader dat verweerder per toets een eindscore heeft vastgelegd in een percentrage. Voor de totaalscore meent verweerder dat niet het gemiddelde van deze twee scores doorslaggevend is, maar een alternatieve berekening. Dat volgt niet uit de Regeling decentrale selectiecriteria en is volgens appellante onjuist.
2.6.1. In de Regeling decentrale selectiecriteria is neergelegd dat maximaal 175 deelnemers met de hoogste scores direct worden toegelaten tot de opleiding. Daarnaast volgt uit deze regeling dat aspirant-studenten aan de hand van de score op beide toetsen in één van drie categorieën wordt ingedeeld. Die categorieën behelzen volgens de Regeling decentrale selectiecriteria 1. de categorie kandidaten die in vergelijking met andere kandidaten hoog hebben gescoord op beide toetsen; 2. de categorie kandidaten die in vergelijking met andere kandidaten gemiddeld hebben gescoord op beide toetsen; en 3. de categorie kandidaten die in vergelijking met andere kandidaten laag hebben gescoord op beide toetsen. Wat betreft de indeling van de kandidaten in de onderscheidenlijke categorieën heeft verweerder ter zitting van het College toegelicht dat voorshands niet valt te voorspellen wat het aantal aanmeldingen voor de opleiding zal zijn. Daarom kan als cesuur geen vast percentage worden gegeven. In het geval veel aspirant-studenten
zich hebben aangemeld, zal de cesuur op een hoger percentage komen te liggen, aldus verweerder. In het geval de grens voor indeling in de eerste categorie bijvoorbeeld op een score van 69% zou worden gelegd, zou het maximum aantal van 175 deelnemers worden overschreden. Aan de hand van het aantal deelnemers en de toetsingsscores, is, volgens verweerder, een cesuur bepaald die de maximumaantallen, neergelegd in de Regeling decentrale selectiecriteria, zo dicht mogelijk benadert.
Naar het oordeel van het College valt, gelet op de motivering van verweerder, niet in te zien dat hij de Regeling decentrale selectiecriteria wat betreft de indeling van de aspirant-studenten in de verschillende categorieën, niet heeft nageleefd. Verweerder heeft, zoals hij heeft toegelicht, getracht om met die indeling de maximumaantallen zoals neergelegd in de Regeling decentrale selectiecriteria zoveel als mogelijk te benaderen. Voor het oordeel dat de norm waarbij aspirant-studenten met een score tussen de 64% en 70% worden ingedeeld in de tweede categorie, willekeur oplevert, ziet het College gelet op de toelichting van verweerder, evenmin grond. Ook valt niet in te zien dat verweerder in strijd heeft gehandeld met de Regeling decentrale selectiecriteria door de eindscore niet aan de hand van het gemiddelde van de beide toetsen te berekenen, maar door het aantal behaalde punten te delen door het maximum aantal te behalen punten. Wat betreft het verschil in het aantal toetsvragen op vrijdag 10 februari 2017 en zaterdag 11 februari 2017, wijst het College op zijn uitspraak van 15 juni 2017 in de zaak met het nummer 2017/077.5 (www.cbho.nl). In die uitspraak heeft het College geoordeeld dat deze ongelijkheid niet zodanig is, dat van een onzorgvuldige of niet-objectieve ranking moet worden gesproken.
Het betoog faalt.
2.7. Tot slot heeft appellante zich ter zitting van het College gemotiveerd op het standpunt gesteld dat verweerder de aan hem op grond van artikel 7.53, derde lid, van de WHW geattribueerde bevoegdheid tot vaststelling van de decentrale selectiecriteria en –procedure ten onrechte heeft gedelegeerd, omdat een wettelijke grondslag voor die delegatie ontbreekt. De Regeling decentrale selectiecriteria is dan ook ten onrechte niet door verweerder vastgesteld, maar door de decaan, aldus appellante.
2.7.1. Uit artikel 7.53, derde lid, van de WHW volgt dat het instellingsbestuur een reglement vaststelt, waarin de kwalitatieve selectiecriteria en de selectieprocedure zijn neergelegd. Verweerder heeft in dat kader de Regeling selectie en plaatsing vastgesteld. In die regeling heeft verweerder het aan de decaan overgelaten om de selectiecriteria en -procedure vast te stellen. Dat volgt uit artikel 3 van de Regeling selectie en plaatsing. De decaan heeft vervolgens de selectiecriteria en –procedure vastgesteld bij de Regeling decentrale selectiecriteria.
Naar het oordeel van het College was verweerder niet bevoegd om, in weerwil van artikel 7.53, derde lid, van de WHW, zijn bevoegdheid tot vaststelling van de selectiecriteria en -procedure aan de decaan over te dragen. Zoals appellante terecht betoogt, bestond voor die delegatie geen wettelijke grondslag. Die wettelijke grondslag is evenmin te vinden in artikel 9.15 van de WHW.
Het betoog slaagt.

Downloads