Skip content

2017/087/CBE

Beroep tegen de beslissing van het College van Beroep voor de Examens van de Hogeschool Rotterdam waarbij het administratief beroep van appellante tegen de weigering van de Examencommissie van het Instituut Financieel Management haar een propedeusegetuigschrift te vertrekken, ongegrond is verklaard.

Zaaknummer: 2017/087
Zittingsdag: Maandag 21 augustus 2017
Datum uitspraak: 12-09-2017
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

2.3. Ingevolge artikel 7.8a van de WHW kan het instellingsbestuur in een bacheloropleiding een associate degreeprogramma instellen. Een associate degreeprogramma kan derhalve niet los worden gezien van de bacheloropleiding waarin dat programma is ingesteld. Dit betekent dat artikel 7.8 van de WHW over de propedeutische fase en het propedeutisch examen ook op dat associate degreeprogramma van toepassing is. Ingevolge het tweede lid van dat artikel omvat een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs een propedeutische fase. Ingevolge het derde lid is aan de propedeutische fase, voor zover in de onderwijs- en examenregeling niet anders is bepaald, een propedeutisch examen verbonden. Het College stelt vast dat de OER niet de bepaling bevat dat aan het associate degreeprogramma Accountancy geen propedeutisch examen is verbonden. Het ontbreken in de OER van een vermelding dat er aan dat programma wel een propedeutisch examen is verbonden, kan niet worden gelijkgesteld met de bepaling dat aan dat programma geen propedeutisch examen is verbonden. Ingevolge dat derde lid is aan dat programma derhalve een propedeutisch examen verbonden. Dat het Register dit niet vermeldt, doet hieraan niet af, omdat niet het Register, maar artikel 7.8 van de WHW in dit kader leidend is. Hieruit volgt dat de examencommissie zich ten onrechte onbevoegd heeft geacht aan appellante een propedeusediploma uit te reiken.
In zoverre slaagt het betoog.
2.4. De wettelijke beslistermijn voor verweerder liep tot en met 23 januari 2017. Eerst op 10 maart 2017 heeft verweerder appellante medegedeeld dat de termijn met zes weken is verlengd, waarna verweerder binnen deze zes weken de bestreden beslissing heeft genomen en aan appellante heeft verzonden. In zoverre heeft verweerder niet tijdig beslist. Dit kan op zichzelf echter niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep. Appellante had verweerder vanaf 24 januari 2017 in verband met het niet tijdig beslissen in gebreke kunnen stellen. Dit heeft zij niet gedaan.
2.5. Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3 is overwogen, is het beroep gegrond. Hetgeen appellante overigens aanvoert, behoeft geen bespreking. De bestreden beslissing moet worden vernietigd. Nu de examencommissie zich ten onrechte onbevoegd heeft geacht aan appellante een propedeusediploma uit te reiken, zal het College in de zaak voorzien door ook de beslissing van de examencommissie van 3 oktober 2016 te vernietigen. De examencommissie moet een nieuwe beslissing op het verzoek van appellante nemen.

Downloads