Skip content

2017/091/CBE

Beroep tegen de beslissing van het CBE van Fontys Hogescholen waarbij het administratief beroep van appellante tegen de weigering van de Examencommissie Financieel Management toestemming te verlenen voor de gevraagde, aangepaste, tentamenvorm ten behoeve van de opleiding Bedrijfseconomie, ongegrond is verklaard.

Zaaknummer: 2017/091
Zittingsdag: Donderdag 5 oktober 2017
Datum uitspraak: 25-10-2017
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:
2.3. Appellante dient nog ongeveer zestien vakken af te ronden. Uit een bij de beslissing van 19 januari 2017 gevoegd overzicht blijkt dat appellante acht vakken met een mondelinge toets mag afronden, voor twee vakken een vervangende opdracht is opgesteld, één vak kan worden afgerond door een individuele presentatie en één toets voor appellante kan worden opgesplitst in drie toetsen.
Bij het verweerschrift heeft het CBE een toelichting overgelegd van de curriculumgroep bedrijfseconomie. Daarin staat dat de vakken waarvoor de opleiding geen alternatief voor een mondelinge of schriftelijke toets ziet, met name zien op kennis en gedeeltelijk ook op vaardigheden. Het betreft kennisgebieden die zijn verankerd in het opleidingsprofiel van bedrijfseconomie en een essentieel onderdeel van het toe te kennen diploma vormen. De opleiding kan niet instemmen met het afronden van die vakken door opdrachten die appellante in haar eigen tempo en in haar eigen omgeving kan maken, omdat de kwaliteit van de tentamens en het diploma dan niet kan worden geborgd.
2.4. Ingevolge artikel 7.12b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek heeft de examencommissie de taak en bevoegdheid om de kwaliteit van tentamens en examens te borgen. Gelet hierop en op het gemotiveerde standpunt van de opleiding dat bij inwilliging van het verzoek van appellante de kwaliteit van de tentamens en het diploma niet kan worden geborgd, is de door appellante gevraagde aanpassing niet geschikt om haar als ieder ander te laten deelnemen aan het maatschappelijk leven. Het betreft derhalve geen doeltreffende aanpassing als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wgbh/cz en de afwijzing van het verzoek van appellante is dan ook niet met die bepaling in strijd.
Het betoog faalt.

Downloads