Skip content

2017/096/CBE

Beroep tegen de beslissing van het CBE van de Erasmus universiteit Rotterdam waarbij het verzoek van appellante tot verlenging van de geldigheidsduur, wegens het te laat indienen van de beroepsgronden, niet-ontvankelijk is verklaard.

Zaaknummer: 2017/096
Zittingsdag: Donderdag 7 december 2017
Datum uitspraak: 18-01-2018
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

2.1. Voor zover appellante in haar nadere stukken betoogt dat zij ondeugdelijk voor de zitting van 7 december 2017 is uitgenodigd en dat de behandeling van haar zaak op deze zitting ten onrechte niet is uitgesteld, kan zij hierin niet worden gevolgd. Appellante is bij brief van 6 november 2017, op dezelfde dag per gewone post en per aangetekende post verzonden, tijdig uitgenodigd voor de zitting. Deze brief is verzonden naar het adres: [adres]. Het huisnummer [xyz] bestaat niet en het juiste adres is [adres xy-z]. Uit het door post.nl aan het College teruggestuurde aangetekende stuk blijkt dat de brief tweemaal op het [adres xy-z] is aangeboden en dat bij het juiste huisnummer een afhaalbericht is achtergelaten. Het komt voor rekening van appellante dat de brief niet is afgehaald op de op het afhaalbericht vermelde postafhaallocatie. De per post verzonden brief is niet naar het College retour gekomen. Voorts is een afschrift van de brief op 6 november 2017 per e-mail verzonden naar het bij het College bekende e mailadres van appellante, te weten [e-mailadres]. Er zijn geen aanwijzingen dat de hiervoor genoemde e-mail dat e-mailadres niet heeft bereikt. Appellante heeft in de communicatie met het College in de aanloop naar de agendering van de zitting, nadat een eerdere zitting op haar verzoek was uitgesteld, voorts 7 december 2017 niet als verhinderdatum opgegeven. De door appellante naar voren gebrachte stelling dat zij op 7 december 2017 in het buitenland verblijft, heeft zij toegelicht noch onderbouwd en is daarom geen reden om wederom de behandeling ter zitting uit te stellen.
2.2. Voor zover appellante betoogt dat niet het College maar de rechtbank Den Haag bevoegd is kennis te nemen van haar beroep, kan zij hierin evenmin worden gevolgd. Ingevolge artikel 7.66, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek oordeelt het College immers over het beroep dat een betrokkene heeft ingesteld tegen een beslissing van een orgaan van een instelling voor hoger onderwijs die jegens hem op grond van deze wet en daarop gebaseerde regelingen is genomen.
[…]
2.4. Op 20 december 2016 heeft appellante administratief beroep ingesteld tegen de beslissing van 10 november 2016. Omdat het beroepschrift niet de gronden van het beroep bevatte, is appellante bij brief van 6 januari 2017 tot 20 januari 2017 in de gelegenheid gesteld de beroepsgronden alsnog in te dienen. In de brief van 6 januari 2017 is uitdrukkelijk vermeld dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien de gronden niet binnen de gestelde termijn zijn ingediend. Op 17 januari 2017 heeft een advocaat met het oog op het indienen van de beroepsgronden verzocht om verlenging van de gestelde termijn. Op 19 januari 2017 heeft verweerder dit verzoek ingewilligd en tot 31 januari 2017 uitstel voor het indienen van de beroepsgronden verleend. Op 31 januari 2017 heeft appellante zelf gronden ingediend. Voor zover appellante betoogt dat zij evenbedoelde advocaat niet had
gemachtigd om haar belangen te behartigen en zij niet op de hoogte was van het op 19 januari 2017 verleende uitstel, overweegt het College dat dit appellante niet kan baten. Zij heeft verweerder immers zelf niet om uitstel voor het indienen van gronden gevraagd en op 31 januari 2017 was zowel de haar geboden termijn tot 20 januari 2017 als de termijn tot 31 januari 2017 verstreken.
Gelet op het voorgaande en nu appellante niet heeft onderbouwd dat het secretariaat van verweerder haar heeft medegedeeld dat zij de gronden tot en met 31 januari 2017 kon indienen, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder appellante ondeugdelijk over de gestelde termijn heeft voorgelicht. Verweerder heeft het verzuim derhalve terecht niet verschoonbaar geacht. Het betoog faalt.

Downloads