Skip content

2017/100/CBE

Beroep tegen de beslissing van het College van Beroep voor de Examens van de Vrije Universiteit waarbij het administratief beroep van appellante tegen de afwijzende beslissing van de Examencommissie op het verzoek tot een gedeeltelijke herkansing van het vak Pleitoefening, ongegrond is verklaard.

Zaaknummer: 2017/100
Zittingsdag: Maandag 18 september 2017
Datum uitspraak: 07-11-2017
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen: 2.5.1 Het College is van oordeel dat het CBE ten onrechte het administratief beroep ongegrond heeft verklaard omdat de examencommissie in redelijkheid niet tot haar beslissing heeft kunnen komen en overweegt daartoe als volgt. Appellante heeft het mondelinge deel niet kunnen afleggen op de geplande zittingsdagen van 23 en 30 november 2016, omdat zij ziek was. Zij heeft dit zo snel mogelijk bij de desbetreffende vakdocent gemeld en heeft ter staving van haar ziekte medische verklaringen overgelegd, waaruit blijkt dat sprake is van een aandoening die ernstig belemmerend was voor haar deelname aan de pleitoefening. Ook blijkt daaruit dat het verloop ervan dusdanig onzeker was, dat appellante niet kon voorzien of zij op 30 november 2016 al voldoende zou zijn hersteld. Het CBE heeft dit niet betwist. Appellante heeft als gevolg van de afwijzing van haar verzoek door de examencommissie een aanzienlijke studievertraging opgelopen, omdat zij het vak geheel over moest doen. In het licht van deze ernstige gevolgen voor appellante had het op de weg van de examencommissie gelegen om mogelijkheden te zoeken voor het afnemen van het mondelinge deel buiten de reguliere rondes. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de examencommissie onvoldoende heeft onderzocht welke alternatieven mogelijk waren, en zich heeft neergelegd bij het standpunt van de vakcoördinator dat het organiseren van een aparte kans te complex is en niet van haar en haar medewerkers gevergd kan worden. Door dit standpunt te volgen heeft het CBE onvoldoende rekening gehouden met de belangen van appellante.
Niet gebleken is dat het organiseren van de extra mogelijkheid in dit specifieke geval een dusdanig onevenredige inspanning van de VU zal vergen, dat dit niet kan worden verlangd. Daarbij neemt het College in aanmerking dat het gaat om het eenmalig bijeen brengen van een relatief klein aantal mensen en dat de voorbereiding op deze pleitzitting niet van zodanig zware aard is dat dit niet kan worden gevergd. Met betrekking tot de mogelijke gevolgen voor andere verzoeken aan de examencommissie overweegt het College dat deze te overzien zijn, nu de vakcoördinator ter zitting heeft verklaard dat het geval van appellante een uitzonderlijke situatie is die nog niet eerder is voorgekomen.
Het betoog slaagt.

Downloads