Skip content

2017/111

Beroep tegen de beslissing van het college van bestuur van de Vrije Universiteit, waarbij het bezwaar van appellante tegen de beslissing haar niet toe te laten tot de tweede ronde van de decentrale selectie voor de opleiding Geneeskunde, ongegrond is verklaard.

Zaaknummer: 2017/111
Zittingsdag: Donderdag 5 oktober 2017
Datum uitspraak: 25-10-2017
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

2.3. Zoals het College eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraken van 26 september 2013 in zaak nr. 2013/140, 10 juni 2014 in zaak nr. 2014/009 en 5 november 2015 in zaak nr. 2015/202; www.cbho.nl) heeft de wetgever met betrekking tot de decentrale selectie en derhalve tot de daarbij in aanmerking te nemen bijzondere kwalificaties en selectiecriteria aan het instellingsbestuur een zeer grote beleidsruimte toegekend.
2.4. In het Reglement selectie en plaatsing Vrije Universiteit Amsterdam 2017-2018 is vermeld dat de primaire selectie in track B voor Geneeskunde plaatsvindt op basis van de criteria: - het uiterlijk 15 juli 2017 volledig hebben voldaan aan de toelatingseisen voor Geneeskunde; studie- en/of schoolprestaties (gevolgde vakken en behaalde cijfers) in het huidige en (eventueel) de twee daaraan voorafgaande jaren gevolgde onderwijs; - affiniteit met hulpverlening/gezondheidszorg; - bestuurlijke en organisatorische ervaring; - bijzondere prestaties. Met dit reglement heeft de Vrije Universiteit de selectiecriteria vooraf bekend gemaakt. In de beslissing van 6 juni 2017 is toegelicht dat de weging van de opgegeven kwalificaties en activiteiten niet bekend wordt gemaakt om strategisch gedrag van kandidaten te voorkomen en het meetinstrument niet te verstoren. Zoals het College eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 juli 2011 in zaak nr. 2011/085; www.cbho.nl), is dat niet in strijd met de wet noch onredelijk. In het verweerschrift en ter zitting van het College heeft het CvB uitgebreid toegelicht hoe de score van appellante tot stand is gekomen. Daarbij is niet gebleken dat het dossier van appellante onzorgvuldig of op andere wijze dan dat van andere kandidaten is beoordeeld. Gelet op de zeer grote aan het instellingsbestuur toekomende beleidsruimte, acht het College de gehanteerde criteria niet onredelijk. Anders dan in de door appellante genoemde zaken CBHO 2009/040 en CBHO 2010/018 betreft in dit geval het criterium op grond waarvan appellante geen punten heeft gekregen voor bestuurlijke en organisatorische ervaring een precisering van het in het Reglement selectie en plaatsing genoemde criterium. Dat in de handleiding bij het inschrijfformulier is vermeld dat een duidelijke omschrijving van de activiteiten dient te worden gegeven, waarbij aangegeven moet worden wat de functie was binnen het bestuur of de organisatie, maakt dat niet anders, nu dat geen criterium bevat, maar slechts duidelijk maakt welke informatie moet worden gegeven. Naar het oordeel van het College heeft het CvB mogen uitgaan van de derde, doorslaggevende, beoordeling, waarbij aan appellante voor bestuurlijke en/of organisatorische ervaring geen punten zijn toegekend. Ten slotte heeft het CvB ter zitting aan de hand van de geldende criteria voor puntentoekenning uiteengezet
waarom aan de medekandidate waar appellante op wijst, meer punten zijn toegekend. Er doet zich derhalve geen strijd met het gelijkheidsbeginsel voor. Het betoog faalt.

Downloads