Skip content

2017/114

Beroep tegen de beslissing van Universiteit van Amsterdam, waarbij het bezwaar van appellante tegen de beslissing haar niet toe te laten tot de vervolgprocedure van de decentrale selectie Geneeskunde, ongegrond is verklaard.

Zaaknummer: 2017/114
Zittingsdag: Woensdag 9 augustus 2017
Datum uitspraak: 19-09-2017
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

2.4.1. Het College zal in de eerste plaats beoordelen of verweerder in de aanmeldprocedure een verboden onderscheid heeft gemaakt als bedoeld in de Wgb/cz.
2.4.2. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Wgb/cz bestaat direct onderscheid indien een persoon op grond van handicap of chronische ziekte op een andere wijze wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld.
Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, bestaat indirect onderscheid indien een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen met een handicap of chronische ziekte in vergelijking met andere personen bijzonder treft.
Ingevolge artikel 2 houdt het verbod van onderscheid mede in dat degene, tot wie dit verbod zich richt, gehouden is naar gelang de behoefte doeltreffende aanpassingen te verrichten, tenzij deze voor hem een onevenredige belasting vormen.
2.4.3. Uit hetgeen appellante naar voren heeft gebracht, blijkt, naar het oordeel van het College, niet dat verweerder met de aanmeldprocedure een direct onderscheid heeft gemaakt door appellante op een andere wijze te behandelen dan een persoon zonder beperking.
Het College ziet evenmin grond voor het oordeel dat verweerder door het hanteren van de aanmeldprocedure appellante in vergelijking met andere personen in het bijzonder treft. Eenieder kan zich aanmelden voor de bachelor Geneeskunde en die aanmelding is voor appellante niet anders of zwaarder geweest dan voor personen zonder handicap of chronische ziekte. Appellante heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat zij anders is behandeld tijdens de aanmeldprocedure dan anderen. Voor zover appellante betoogt dat een indirect onderscheid bestaat, omdat in de aanmeldprocedure niet uitdrukkelijk is voorzien in een mogelijkheid of faciliteit om te verzoeken om extra tijd tijdens of tussen de toetsen voor personen met een andere beperking dan dyslexie, faalt dat betoog. De mogelijkheid zo’n verzoek in te dienen, bestaat namelijk ook voor personen met een andere beperking dan dyslexie. Ter zitting van het College heeft verweerder daarover verklaard dat op de website van de instelling informatie is te vinden over het
studeren met een handicap of een functiebeperking. Ook is in de informatie over de opleiding, het inschrijven en de selectie voor de opleiding, steeds expliciet vermeld dat met vragen contact kan worden opgenomen met de studieadviseurs, met de secretaris decentrale selectie of met de studentendecanen. Verweerder heeft daarnaast verklaard dat 61 kandidaten extra tijd hebben gekregen op basis van uiteenlopende gronden, waaronder adhd, autisme en chronische vermoeidheid. Naar oordeel van het College mist het betoog van appellante in zoverre dan ook feitelijke grondslag.
Naar het oordeel van het College heeft verweerder bovendien, gelet op het voorgaande, voldoende kenbaar gemaakt dat de mogelijkheid bestond om in geval van een handicap of chronische ziekte een verzoek in te dienen voor doeltreffende maatregelen al naar gelang de behoefte. Bij twijfel daarover had het op de weg van appellante gelegen hierover navraag te doen. Het betoog faalt.
2.4.4. Vervolgens dient het College zich te buigen over het antwoord op de vraag of verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door appellante niet actief te benaderen met de vraag of maatregelen dienden te worden getroffen in verband met haar medische situatie.
2.4.5. Uit artikel 2 van de Wgb/cz volgt dat de instelling de plicht heeft om naar gelang de behoefte doeltreffende aanpassingen te verrichten, mits deze geen onevenredige belasting voor hem vormen. Zoals hiervoor is overwogen, bestond die mogelijkheid ook in het kader van de selectieprocedure voor de bachelor Geneeskunde.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van voormelde bepaling (Kamerstukken II 2001/02, 28 169, nr. 3, p. 26) volgt dat met ‘naar gelang de behoefte’ wordt bedoeld aan te geven dat de wederpartij niet op voorhand en rekening houdend met mogelijk een reeks van handicaps of chronische ziektes die zich kunnen voordoen, aanpassingen dient te verrichten. Het moet gaan om een in een concrete situatie benodigde aanpassing, aldus de wetgever. Met het begrip ‘naar gelang de behoefte’ wordt tot uitdrukking gebracht dat de verplichting tot het treffen van een doeltreffende aanpassing geen generieke verplichting is, maar een verplichting die afhankelijk van de situatie specifiek ingevuld moet worden. Om uitvoering te kunnen geven aan de verplichting tot het doen van een doeltreffende aanpassing zal het voor de wederpartij duidelijk moeten zijn dat er behoefte is aan een aanpassing en tevens duidelijk moeten zijn welke aanpassing in het concrete geval gewenst is. De behoefte zal op enigerlei wijze kenbaar moeten zijn of kenbaar worden gemaakt. Naar het oordeel van de regering, ligt hier een verantwoordelijkheid van de gehandicapte of chronisch zieke om de behoefte aan een aanpassing aan te kaarten.
2.4.6. Zoals volgt uit het voorgaande, ligt ook een verantwoordelijkheid bij betrokkene zelf om bij de instelling aan te kaarten in hoeverre behoefte bestaat aan een aanpassing en waaruit die aanpassing zou moeten bestaan. Dat appellante zich niet bewust was van de mogelijkheid een verzoek in te dienen voor de nodige aanpassingen in verband met haar medische situatie, dient, gelet op het feit dat die informatie op de website van de Universiteit van Amsterdam voldoende kenbaar is gemaakt, voor haar risico te blijven. Verder heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat de selectiecommissie niet onzorgvuldig heeft gehandeld door appellante niet actief te benaderen naar aanleiding van de informatie die zij op haar cv heeft vermeld. Uit die informatie volgt weliswaar dat appellante een medische geschiedenis heeft, maar niet, althans niet zonder meer, dat zij behoefte had aan op haar specifieke situatie toegespitste aanpassingen bij het maken van de toetsen.
Het College ziet evenmin grond voor het oordeel dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door appellante niet, nadat zij na ontvangst van de beslissing van 24 februari 2017 alsnog contact had opgenomen, in de gelegenheid te stellen de toetsen te herkansen
waarbij de nodige aanpassingen zouden worden getroffen. Daarbij is van belang dat de van toepassing zijnde regelgeving over de selectieprocedure niet voorziet in herkansingen. Het betoog faalt.
Het vertrouwensbeginsel
2.5. Verder betoogt appellante dat een onderwijsovereenkomst tussen appellante en de instelling is ontstaan als gevolg van het gerechtvaardigd vertrouwen dat zij heeft ontleend aan een acceptatiebericht van 18 april 2017. Dit acceptatiebericht is nog eens bevestigd door de uitnodiging tot het betalen van het collegegeld van 6 juli 2017. Volgens appellant lag acceptatie juist naar aanleiding van het uitvoerig gemotiveerde bezwaarschrift zeer voor de hand. Het bericht van 1 mei 2017 waarin is vermeld dat deze e-mail niet een bevestiging van de toelating tot de opleiding Geneeskunde betreft, is onjuist. Op 6 juli 2017 volgde namelijk een uitnodiging tot betaling van het collegegeld en op 18 juli 2017 een bericht dat het inschrijfverzoek is afgewezen, omdat zij niet tijdig zou hebben aangetoond te voldoen aan de vooropleidingseisen. De herhaalde toezegging van de instelling ligt, gelet op alle omstandigheden van het geval, in de risicosfeer van de instelling en zij heeft op de toezegging(en) mogen vertrouwen, aldus appellante.
2.5.1. Op 18 april 2017 heeft appellante een e-mail van de ‘Admissions Office’ ontvangen waarin melding is gemaakt van een ‘conditional offer of acceptance’. Daarna heeft de instelling op 1 mei 2017 een e-mail verzonden waarin is vermeld dat deze e-mail van 18 april 2017 door een aantal kandidaten dat heeft meegedaan aan de selectieprocedure, ten onrechte is opgevat als een bevestiging van de toelating tot de opleiding. Volgens de e-mail van 1 mei 2017 is de e-mail van 18 april 2017 verstuurd naar alle studenten die zich hebben aangemeld met een buitenlandse vooropleiding. ‘Conditional acceptance’ wil, aldus de e-mail van 1 mei 2017, zeggen dat is bepaald dat het niveau van het buitenlandse diploma equivalent is aan een Vwo-diploma en dat de kandidaat dus voldoet aan de vooropleidingseisen. De tekst houdt echter geen rekening met de uitkomst van de aanvullende selectieprocedure en is helaas verwarrend voor mensen die zich hebben aangemeld voor bijvoorbeeld de opleiding Geneeskunde, aldus voormelde e-mail.
Naar het oordeel van het College kon appellante, gelet op het voorgaande, aan de door haar overgelegde correspondentie niet een in rechte te honoreren vertrouwen ontlenen dat zij in weerwil van de beslissing van 24 februari 2017 en zonder een daartoe strekkende beslissing op het door haar ingediende bezwaarschrift alsnog zonder nadere selectie zou worden toegelaten tot de bachelor Geneeskunde. Daarbij is ook van belang het veelvuldige contact tussen appellante en de opleiding over de beslissing van 24 februari 2017 en over de aan haar verzonden e-mails van de ‘Admissions Office’. Het betoog van appellante dat de e-mail van 1 mei 2017 onjuist zou zijn, omdat zij later bij e-mail daterend van na de beslissing van verweerder van 5 juli 2017 is uitgenodigd collegegeld te betalen, volgt het College niet. Ter zitting heeft verweerder daarover verklaard dat de e-mails per abuis naar aspirant-studenten voor de bachelor Geneeskunde zijn verstuurd, omdat wat betreft de diplomawaardering de fixus en de niet-fixus aanmeldingen in het digitale systeem ten onrechte zijn samengevoegd. In latere e-mails, ook in reactie op vragen daarover van appellante, is gecommuniceerd dat het van het rangnummer afhangt of appellante een plaats aangeboden zou krijgen voor de opleiding, aldus verweerder.
Naar het oordeel van het College heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat het appellante onder de gegeven omstandigheden genoegzaam bekend was dat zij niet was geselecteerd voor de tweede ronde van de selectieprocedure.
Het betoog faalt.

Downloads