Skip content

2017/134

Beroep tegen de beslissing van het CBE van de Vrije Universiteit waarbij het administratief beroep tegen de beoordeling van het coschap Dermatologie, ongegrond is verklaard.

Zaaknummer: 2017/134
Zittingsdag: Maandag 20 november 2017
Datum uitspraak: 23-05-2018
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

2.4.1. Uit de dossierstukken leidt het College het volgende af. Op 18 april 2017 heeft het schikkingsgesprek tussen de examencommissie, de examinator en appellant plaatsgevonden en zijn nadere afspraken over verstrekking van informatie gemaakt De verstrekking van die informatie diende uiterlijk 1 mei 2017 te geschieden Het is het College, niet gebleken dat de procedure, zoals appellant lijkt te stellen wat betreft de totstandkoming van de schikking onzorgvuldig is verlopen. De examencommissie heeft verweerder op 2 mei 2017 verzocht om uitstel voor het indienen van een verweerschrift, omdat toen nog niet duidelijk was of partijen een schikking hadden bereikt. Verweerder heeft dat verzoek ingewilligd en twee weken uitstel verleend. Daarop heeft de gemachtigde van appellant gereageerd bij e-mail van 2 mei 2017 met het verzoek alvast een hoorzitting te plannen, waarbij de voorkeur, aldus voormelde e-mail, uitging naar een zitting in de maand mei in verband met verhinderdata. Die verhinderdata heeft de gemachtigde niet nader geconcretiseerd. Vervolgens heeft de examencommissie bij e-mail van 10 mei 2017 het verweerschrift ingezonden, waarbij zij concrete verhinderdata met reden van verhindering heeft vermeld. Bij e-mail van 18 mei 2017 heeft verweerder partijen uitgenodigd voor een hoorzitting op 8 juni 2017. Daarop heeft gemachtigde van appellant bij e-mail van 24 mei 2017 ongemotiveerd vermeld, verhinderd te zijn voor die datum en heeft hij verzocht om een andere datum. Gemachtigde heeft bovendien ongemotiveerd gesteld tot en met week 26 verhinderd te zijn. Verweerder heeft vervolgens beslist de hoorzitting doorgang te laten vinden, omdat niet eerder concrete verhinderdata waren opgegeven.
Naar het oordeel van het College heeft verweerder, gelet op het verloop van de procedure, het feit dat de gemachtigde ongemotiveerd heeft gesteld niet te kunnen verschijnen en het feit dat hij eerst op 24 mei 2017 met concrete verhinderdata is gekomen, waarbij de reden van verhindering niet is gemotiveerd, niet onzorgvuldig gehandeld. Anders dan appellant lijkt te betogen, valt uit de mededeling dat de voorkeur uitgaat naar een hoorzitting in de maand mei, niet op te maken dat de gemachtigde daarna een gehele maand afwezig zou zijn en dat hij zich niet zou kunnen laten vervangen. Het College wijst in dit kader op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:917.
[…]
2.5.3. De examinator baseert zijn eindbeoordeling, zoals hij ter zitting van het College heeft toegelicht, op input van de artsen in opleiding die de student hebben begeleid. Hij verzamelt daartoe de tussentijdse beoordelingen en aan de hand daarvan maakt hij een eindbeoordeling op, aldus de examinator. Hoewel de tussenbeoordeling van appellant tijdens het coschap Dermatologie voldoende was, hebben zich, aldus de toelichting van de
examinator, in het tweede gedeelte van de coschap problemen voorgedaan wat betreft het professionele gedrag van appellant. Van de tekortkomingen in het professionele gedrag hebben drie artsen in opleiding gezamenlijk en buiten de gangbare procedure om, melding gemaakt aan de examinator. Deze tekortkomingen, zo heeft verweerder in het verweerschrift toegelicht, hebben onder meer betrekking op de wijze waarop appellant zijn spreekuren inrichtte en op zijn onvermogen om met het patiëntvolgsysteem te werken.
Verweerder heeft zich in dit verband terecht op het standpunt gesteld dat de examinator deze melding bij zijn beoordeling mocht betrekken. De melding heeft, zoals verweerder terecht opmerkt en zoals volgt uit de handleiding, betrekking op het professionele gedrag van appellant en is daarmee relevant voor de eindbeoordeling. Hoewel een van de artsen in opleiding appellant niet heeft begeleid, is deze arts op de werkvloer wel bij appellant betrokken geweest. Het College ziet daarom geen grond voor het oordeel dat de input van deze arts niet zou mogen meewegen in de
eindbeoordeling. Het College ziet evenmin grond voor het oordeel dat de examinator had moeten twijfelen aan de juistheid van de melding. Wat het betoog van appellant betreft, dat de vermeende diefstal een rol bij de eindbeoordeling lijkt te hebben gespeeld, heeft verweerder opgemerkt dat dit incident is geschaard onder het “onvoldoende kunnen omgaan met anderen”. Volgens het eindbeoordelingsformulier heeft appellant voor dat onderdeel geen onvoldoende gescoord. Gelet hierop, acht het College het standpunt van verweerder dat de vermeende diefstal geen doorslaggevende rol heeft gespeeld bij de eindbeoordeling van het coschap, niet onjuist.
Het College komt tot de conclusie dat verweerder de vaststelling van het cijfer, voor zover ter beoordeling van het College, terecht in stand heeft gelaten.

Downloads