Skip content

2017/136/CBE

Beroep tegen de beslissing van het CBE van de Hogeschool Rotterdam waarbij het administratief beroep van appellant tegen de beslissing van de (voorzitter) van de Examencommissie Instituut voor Bedrijfskunde waarbij sancties zijn opgeleged wegens vermeende fraude, ongegrond is verklaard.

Zaaknummer: 2017/136
Zittingsdag: Woensdag 8 november 2017
Datum uitspraak: 05-03-2018
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

2.3.1. Het College stelt voorop dat verweerder eerst ter zitting bij het College duidelijk heeft gemaakt welke tabellen uit het werkstuk volgens hem identiek zijn aan die van de andere groep. Het gaat om tabellen uit het voorgeschreven werk van Mertens. Verder stelt het College vast dat van het horen door de examencommissie voorafgaand aan de beslissing van 28 maart 2017, geen verslag is gemaakt. Deze handelwijze belemmert het College bij de effectieve toetsing van de beslissing van verweerder.
Het College stelt verder vast dat de gedragingen die verweerder aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd, door appellant en de medestudent niet worden bestreden. Niet in geschil is dat kort na het krijgen van de opdracht, de groep van appellant en de andere groep met elkaar overleg hebben gehad, dat beide groepen toen samen hebben bekeken welke tabellen zij zouden gebruiken en dat de groep van appellant en de andere groep daarna ieder afzonderlijk het werkstuk hebben gemaakt. Hoewel deze door appellant erkende samenwerking strijdig is met de aan appellant en de medestudent gegeven groepsopdracht en mogelijk tot een lager cijfer of een onvoldoende beoordeling zou kunnen leiden, kan deze niet worden aangemerkt als plagiaat in de zin van de hiervoor onder 2.2. weergegeven bepaling waarvoor een sanctie kan worden opgelegd. Daarvoor is immers vereist dat appellant of de medestudent teksten en gegevens en dergelijke van de andere groep gebruikt of overneemt, zonder volledige en correcte bronvermelding. Dit is echter niet wat appellant en de medestudent wordt verweten. Hun wordt immers verweten dat het werkstuk dat zij hebben ingeleverd het product is van samenwerking en gezamenlijk denkwerk met de andere groep. Dat het werk van de andere groep een half uur eerder is opgenomen in Ephorus is een toevallige omstandigheid en maakt, anders dan verweerder en de examencommissie ter zitting hebben betoogd, niet dat appellant en de medestudent daarom als plagiaatplegers van het werk van de andere groep kunnen worden aangemerkt. De beroepsgrond slaagt.
2.4. Het beroep is reeds gelet op wat hiervoor onder 2.3. is overwogen, gegrond. De beslissing van verweerder van 6 juni 2017 moet worden vernietigd. Gelet op wat onder 2.3. is overwogen zal het College het bij verweerder ingestelde administratief beroep gegrond verklaren, de beslissing van de examencommissie Instituut voor Bedrijfskunde van 28 maart 2017 vernietigen en krachtens artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing van verweerder. Dit betekent dat verweerder geen nieuwe beslissing hoeft te nemen en dat de examencommissie Instituut voor Bedrijfskunde het werkstuk van appellant en de medestudent inhoudelijk moet beoordelen met inachtneming van deze uitspraak.

Downloads