Skip content

2017/139

Beroep tegen de beslissing van de Universiteit van Amsterdam waarbij het bezwaar van appellante tegen de weigering haar niet toe te laten tot tweede ronde van de decentrale selectie ten behoeve van de opleiding Geneeskunde, omgegrond is verklaard.

Zaaknummer: 2017/139
Zittingsdag: Woensdag 11 oktober 2017
Datum uitspraak: 29-11-2017
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

2.3. Appellante voert aan dat verweerder niet heeft onderkend dat de Regeling decentrale selectiecriteria, waarop de beslissing van verweerder mede is gebaseerd, onbevoegd is vastgesteld. Niet de decaan, maar het instellingsbestuur – in dit geval het college van bestuur – had een reglement moeten vaststellen waarin de kwalitatieve selectiecriteria en de selectieprocedure zijn neergelegd, aldus appellante.
2.3.1. Uit rechtsoverweging 2.7.1. van de uitspraak van het College van 19 september 2017 in zaak nr. 2017/086 (www.cbho.nl) volgt dat het betoog slaagt.
Het College ziet aanleiding het aldus geconstateerde bevoegdheids-gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht te passeren. Hiervoor acht het College redengevend dat appellante door het bevoegdheidsgebrek niet is benadeeld, en dat verweerder bij zijn verweerschrift een beslissing van het college van bestuur van 21 juli 2017 heeft overgelegd, waarin het college van bestuur de Regeling decentrale selectiecriteria tot de zijne maakt en deze met terugwerkende kracht tot 6 september 2016 alsnog heeft vastgesteld. De Regeling decentrale selectiecriteria is ook bekend gemaakt.
2.4. Appellante voert verder aan dat de Regeling decentrale selectiecriteria wat betreft het aantal soorten selectiecriteria dat daarin is opgenomen, en wat betreft de daarin opgenomen instrumenten waarmee wordt getoetst of aspirant-studenten aan de criteria voldoen, niet voldoet aan de vereisten van artikel 7.53, tweede lid, van de WHW. Voorts is de Regeling decentrale selectiecriteria niet tijdig bekendgemaakt. Die regeling biedt verder geen grondslag om ook te toetsen op non-cognitieve vaardigheden als motivatie en de planning van studieactiviteiten, aldus appellante.
2.4.1. In rechtsoverweging 2.5.4. van voormelde uitspraak van 19 september 2017 heeft het College overwogen dat de Regeling decentrale selectiecriteria wat betreft de daarin vastgestelde criteria niet in strijd is met artikel 7.53, tweede lid, van de WHW. Hetgeen appellante in haar beroepsgrond aanvoert is gelijk aan hetgeen in genoemde zaak is aangevoerd en heeft het College reeds bij dat oordeel betrokken. Het betoog faalt.
2.5. Appellante betoogt dat gebruik gemaakt had moeten worden van de bevoegdheid om een uitzondering te maken op de selectieprocedure. In haar geval is immers, anders dan verweerder stelt, sprake van bijzondere feiten en omstandigheden die daartoe nopen, nu op 17 januari 2017 in haar ouderlijk huis een brand heeft plaatsgevonden die aanzienlijke materiële schade tot gevolg heeft gehad (hierna: de woningbrand). Als gevolg van de woningbrand heeft appellante zich bovendien niet op dezelfde wijze kunnen voorbereiden als haar medestudenten, waardoor sprake is van strijd
met het gelijkheidsbeginsel. Volgens appellante dient haar deelname aan de selectieprocedure te worden geschrapt, zodat zij komend jaar opnieuw daaraan kan deelnemen.
2.5.1. Het College is van oordeel dat de woningbrand, mede in aanmerking genomen dat die langer dan drie weken voor de toets heeft plaatsgevonden, niet van dien aard is dat verweerder daarin aanleiding had moeten zien om een uitzondering te maken op de selectieprocedure en de deelname aan de selectieprocedure te schrappen. Hierbij betrekt het College dat appellante pas na het vernemen van het resultaat van de door haar verrichte toets heeft gepoogd de deelname te annuleren. Dat zij niet wist dat annulering mogelijk was, blijft voor haar risico.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt verder, nu zij geen gelijke gevallen heeft aangevoerd waarbij wel een uitzondering is gemaakt.

Downloads