Skip content

2017/142

Beroep tegen de beslissing van het college van bestuur van de Hogeschool Van Hall Larenstein waarbij het bezwaar van appellante tegen de verschuldigdheid van het hogere tarief instellingscollegegeld, ongegrond is verklaard.

Zaaknummer: 2017/142
Zittingsdag: Donderdag 7 december 2017
Datum uitspraak: 18-01-2018
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

2.3. Ingevolge paragraaf 4.2 van het Besluit betreffende de inschrijving 2011/2012 Van Hall Larenstein, met het kopje 'Het instellingscollegegeld na het behalen van een graad (overgangsregeling voor studenten die zijn ingeschreven voor 1 september 2010)', is de overgangsregeling, op grond waarvan de student een tarief aan instellings¬collegegeld betaalt ter hoogte van het tarief aan wettelijk collegegeld, van toepassing op de student die, voor zover thans van belang, na 1992 maar voor 1 september 2010 een bachelor- of daarmee gelijk te stellen graad heeft behaald en zich vóór 1 september 2010 voor het eerst bij de hogeschool heeft ingeschreven en is de maximale inschrijvingsduur onder de voorwaarden van de overgangsregeling gelijk aan de nominale studieduur van de opleiding.
Paragraaf 4.4 van het Inschrijfbesluit 2013-2014, waarin de overgangsregeling voor het laatst was opgenomen, heeft dezelfde inhoud als de hiervoor weergegeven paragraaf 4.2.
2.4. Uit voormelde paragrafen 4.2 en 4.4 volgt dat de overgangsregeling niet op appellante van toepassing was, omdat zij zich niet vóór 1 september 2010 bij de hogeschool heeft ingeschreven, en dat de maximale toepassingsduur van de overgangsregeling de nominale studieduur van de bij de hogeschool gevolgde opleiding (vier studiejaren) was. Verweerder heeft derhalve terecht geweigerd de overgangsregeling voor het studiejaar 2016-2017 op appellante toe te passen. Verweerder was niet verplicht eerder gemaakte fouten te herhalen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar toezeggingen zijn gedaan over toepassing van de overgangsregeling in afwijking van voormelde paragrafen. Uit de verklaring van haar voormalig studieloopbaanbegeleider blijkt dit ook niet. Evenmin heeft appellante, mede gelet op de toelichting die verweerder ter zitting van het College heeft gegeven over de situatie van de door appellante bij naam genoemde student, aannemelijk gemaakt dat de door haar bedoelde studenten in een situatie verkeren die gelijk is aan haar situatie, terwijl op hen in afwijking van voormelde paragrafen in het studiejaar 2016-2017 toch de overgangsregeling is toegepast. Het betoog faalt.

Downloads