Skip content

2017/152.2

Opposante doet verzet tegen de uitspraak van het College van 5 juli 2017, CBHO 2016/259, waarbij het beroep niet-ontvankelijk is verklaard.

Zaaknummer: 2017/152.2
Zittingsdag: Donderdag 7 december 2017
Datum uitspraak: 18-01-2018
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

2.1. Voor zover appellante in haar nadere stukken betoogt dat zij ondeugdelijk voor de zitting van 7 december 2017 is uitgenodigd en dat de behandeling van haar zaak op deze zitting ten onrechte niet is uitgesteld, kan zij hierin niet worden gevolgd. Appellante is bij brief van 6 november 2017, op dezelfde dag per gewone post en per aangetekende post verzonden, tijdig uitgenodigd voor de zitting. Deze brief is verzonden naar het adres: [adres xyz]. Het huisnummer [xyz] bestaat niet en het juiste adres is [adres xy-z]. Uit het door post.nl aan het College teruggestuurde aangetekende stuk blijkt dat de brief tweemaal op het adres [adres xy-z] is aangeboden en dat bij het juiste huisnummer een afhaalbericht is achtergelaten. Het komt voor rekening van appellante dat de brief niet is afgehaald op de op het afhaalbericht vermelde postafhaallocatie. De per post verzonden brief is niet naar het College retour gekomen. Voorts is een afschrift van de brief op 6 november 2017 per e-mail verzonden naar het bij het College bekende e-mailadres van appellante, te weten [e-adres]. Er zijn geen aanwijzingen dat de hiervoor genoemde e-mail dat e-mailadres niet heeft bereikt. Appellante heeft in de communicatie met het College in de aanloop naar de agendering van de zitting, nadat een eerdere zitting op haar verzoek was uitgesteld, voorts 7 december 2017 niet als verhinderdatum opgegeven. De door appellante naar voren gebrachte stelling dat zij op 7 december 2017 in het buitenland verblijft, heeft zij toegelicht, noch onderbouwd en is daarom geen reden om wederom de behandeling ter zitting uit te stellen.
[…]
2.6. Gelet op artikel 7.66, eerste lid, van de WHW was het College bevoegd kennis te nemen van het door opposante tegen de beslissing van 7 november 2016 ingestelde beroep. Het College hoefde haar beroepschrift derhalve niet naar een ander rechtscollege door te sturen. In de uitspraak van 5 juli 2017 is de beslissing van het College vermeld. De beslissing in die uitspraak is de enige beslissing die door het College in de desbetreffende zaak is genomen. Dat op de website van het College mogelijk per abuis een andere beslissing is vermeld, doet hieraan niet af. Uit het procesdossier blijkt dat het College niet in het bezit was van een door opposante ondertekend beroepschrift met haar adresgegevens. Opposante heeft in verzet niet onderbouwd dat zij een dergelijk stuk heeft ingediend. Een e-mailadres is voorts niet het adres, bedoeld in artikel 6:5, eerste lid, onder a, van de Awb. Uit de verzendregistratie van post.nl blijkt dat de brief van 3 mei 2017 op dezelfde dag per aangetekende post naar het laatst bekende adres van opposante is verzonden, dat tweemaal een bezorgpoging is gedaan en dat de brief vervolgens enige tijd bij een postafhaallocatie heeft klaargelegen. De brief is echter niet afgehaald en uiteindelijk retour gekomen bij het College. Dit komt voor rekening van opposante. Een afschrift van de brief van 3 mei 2017 is voorts op 4 mei 2017 per e-mail aan het hiervoor vermelde e-mailadres van opposante gestuurd. Er zijn geen aanwijzingen dat die e-mail dat e-mailadres niet heeft bereikt. Haar stelling dat zij in de maand mei niet in staat was te corresponderen heeft zij niet toegelicht, zodat daarin geen reden is gelegen om het
geconstateerde verzuim verschoonbaar te achten. Er is ten slotte geen rechtsregel die zich verzet tegen het bijna vijf maanden na indiening van een beroepschrift constateren van een verzuim. Het College heeft het beroep van opposante derhalve terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Het betoog faalt.

Downloads