Skip content

2017/178/CBE

Beroep tegen de beslissing van het CBE van de Open Universiteit waarbij het administratief beroep van appellant tegen de inpassingsbeschikking van de Commissie voor de Examens/Commissie vrijstelling en toelating t.b.v. de wo-masteropleiding Rechtsgeleerdheid, ongegrond is verklaard.

Zaaknummer: 2017/178
Zittingsdag: Donderdag 4 januari 2018
Datum uitspraak: 03-04-2018
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

Beoordeling door het College
2.3.1. Onder de gedingstukken bevindt zich een brief van 12 oktober 2017 waarin namens het college van bestuur uitleg wordt gegeven over de veranderingen in het onderwijsprogramma van de master Rechtsgeleerdheid. In die brief is in de eerste plaats opgemerkt dat de master Rechtsgeleerdheid één opleiding is, maar met tijdelijk twee programmeringen. Per 1 september 2014 is, zo volgt uit voormelde brief, een nieuw onderwijsmodel ingevoerd, waarbij naast het invoeren van de harde knip en het omzetten van de cursusomvang, een nieuwe programmering is ingevoegd. Die nieuwe programmering houdt in dat studenten in vier vaste kwartielen studeren waarin ze begeleiding ontvangen. Het gevolg van de introductie van deze nieuwe programmering is dat onder de master Rechtsgeleerdheid tijdelijk twee programmeringen werden aangeboden, omdat de instelling zittende studenten een redelijke termijn moest bieden de uitlopende programmering af te ronden. Volgens voormelde brief ontvangen studenten in de Master Rechtsgeleerdheid, zowel onder de uitlopende programmering als onder de nieuwe programmering, een graad als bedoeld in de WHW. De opleiding is geaccrediteerd tot medio 2019. De doorgevoerde wijzigingen overschrijden de 40%-marge van de NVAO niet. Het wijzigen van namen van cursussen, het aanpassen van de cursusomvang dan wel een strakkere programmering leiden niet tot een nieuwe opleiding. Wijzigingen doen zich jaarlijks voor binnen alle opleidingen, mede om de opleiding actueel te houden, aldus voormelde brief.
Ook de rector heeft in een reactie op een e-mail van appellante laten weten dat weliswaar de termen “nieuwe master” en “uitlopende master” worden gehanteerd, maar dat daarmee wordt gedoeld op de twee onderwijsprogrammeringen binnen dezelfde opleiding. Volgens de rector is geen nieuwe opleiding opgezet, maar vallen de programmeringen onder de geaccrediteerde master Rechtsgeleerdheid.
Verder heeft de NVAO appellante, bij e-mail van 14 juli 2017, te kennen gegeven dat de instelling het bestaande curriculum heeft aangepast, die aanpassing onder de verantwoordelijkheid van de instelling valt en dat zij daarmee geen nieuwe master of uitlopende master heeft gecreëerd die niet onder de accreditatie van de master Rechtsgeleerdheid zou vallen. Volgens de NVAO ontvangt appellante een rechtsgeldig diploma op basis van de accreditatie van 2012 voor de master Rechtsgeleerdheid, als zij aan de voorwaarden van de opleiding voldoet. Ook in de OER die voor de verschillende studiejaren gold en geldt, is vermeld dat de opleiding is geaccrediteerd.
Het College ziet onder deze omstandigheden geen aanleiding te twijfelen aan het standpunt van verweerder dat het afstuderen onder de nieuwe programmering leidt tot een rechtsgeldige graad en een waardevol diploma. Verweerder heeft de beslissingen van de commissie voor de examens van 23 mei 2017 en 29 juni 2017 dan ook terecht gehandhaafd. Het beroep is ongegrond.
Het verzoek om schadevergoeding
2.4. Artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht luidt als volgt:
“De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:
a. een onrechtmatig besluit;
b. een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit;
c. het niet tijdig nemen van een besluit;
d. een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn.”
2.4.1. Uit het voorgaande volgt dat de beslissing van verweerder van 13 september 2017 niet onrechtmatig is. Daarom hangt het verzoek om schadevergoeding niet samen met één van de in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, van de Awb vermelde omstandigheden.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen.

Downloads