Skip content

2017/182/CBE

Beroep tegen de beslissing van het CBE van de Hogeschool Rotterdam waarbij het administratief beroep van appellant tegen de beslissing van de directie van het Instituut voor Commercieel Management hem een bindend negatief studieadvies te verstrekken voor de opleiding Commerciële Economie: Global Marketing en Sales, ongegrond is verklaard.

Zaaknummer: 2017/182
Zittingsdag: Woensdag 14 maart 2018 middag
Datum uitspraak: 26-04-2018
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

2.4.1. Artikel 7.8b, derde lid, van de WHW schrijft voor dat een BNSA slechts kan worden gegeven indien de student naar het oordeel van het instellingsbestuur, met inachtneming van zijn persoonlijke omstandigheden, niet geschikt moet worden geacht voor de opleiding doordat zijn studieresultaten niet voldoen aan de vereisten die het bestuur daaromtrent heeft vastgesteld. De Hogeschool Rotterdam heeft, wat betreft de bacheloropleiding Commerciële Economie: Global Marketing en Sales, aan dit ongeschiktheidscriterium invulling gegeven door de studienorm op 60 studiepunten vast te stellen.
Het College stelt voorop dat wanneer een opleiding de studienorm op 60 studiepunten heeft vastgesteld en een student niet aan die norm voldoet, bijvoorbeeld doordat hij 59 studiepunten heeft behaald, en voorts niet van persoonlijke omstandigheden is gebleken, dit niet noodzakelijkerwijs tot het oordeel leidt dat de student niet geschikt voor de opleiding moet worden geacht.
In dit geval is het College evenwel van oordeel dat de Hogeschool Rotterdam, gelet op de voorzieningen die de instelling voor deze opleiding in de OER heeft getroffen en de wijze waarop zij het onderwijs heeft ingericht, zich op het standpunt mag stellen dat een student niet geschikt is voor de opleiding indien deze in het eerste jaar van zijn opleiding niet 60 studiepunten weet te behalen. Het College ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat in dit geval de studienorm van 60 studiepunten zich niet verdraagt met artikel 7.8b, derde lid, van de WHW. Daartoe overweegt het College dat binnen de opleiding Commerciële Economie: Global Marketing en Sales de student niet alleen een aantal herkansingen wordt geboden, maar dat het de student voorts is toegestaan om onvoldoende resultaten te compenseren met voldoende resultaten. Binnen de opleiding zijn de cursussen uit de propedeuse ondergebracht in drie onderdelen:
- een zogeheten kennislijn, bestaande uit twaalf cursussen,
- een zogeheten praktijklijn, bestaande uit drie projecten, en
- een zogeheten studentlijn, bestaande uit onder meer een stage, studieloopbaan¬coaching en ondersteunend onderwijs.
Voor de kennislijn geldt dat de student voor de twaalf cursussen een gewogen gemiddelde dient te behalen van minimaal een 6,0. Binnen de kennislijn heeft de student ingevolge artikel 10.1.3.q. van de OER drie herkansingen. Daarnaast mag een student binnen de kennislijn maximaal drie onvoldoendes (tussen de 4,0 en 5,4) halen. Aldus zijn toetsen voor dit onderdeel onderling compenseerbaar. Voor de praktijklijn geldt eveneens dat de student een gewogen gemiddelde van minimaal een 6,0 dient te behalen. Weliswaar zijn er bij dit onderdeel geen herkansingen mogelijk, maar ook voor dit onderdeel geldt dat de toetsen onderling compenseerbaar zijn. Ook voor het onderdeel studentlijn geldt dat de student een gewogen gemiddelde van minimaal een 6,0 dient te behalen. Ook hier zijn de cijfers voor de stage, de studieloopbaancoaching en het ondersteunend onderwijs onderling compenseerbaar. Daarnaast worden voor het ondersteunend onderwijs aan de student vier toetskansen geboden. Voorts is van belang dat in de OER een hardheidsclausule is opgenomen.
In het geval van appellant is niet in geschil dat hij het eerste jaar 52 studiepunten heeft behaald, waarvan vier door compensatie, en aldus niet aan de studienorm heeft voldaan. Voorts heeft appellant zijn persoonlijke omstandigheden niet tijdig bij de studentendecaan gemeld. Het CBE heeft overwogen dat nu appellant deze omstandigheden niet tijdig bij de studentendecaan heeft gemeld, appellant de studentendecaan de mogelijkheid heeft ontnomen hem te monitoren, te begeleiden en te adviseren, waardoor thans niet meer kan worden vastgesteld of een causaal verband bestaat tussen de persoonlijke omstandigheden en het niet behalen van de norm. Volgens het CBE dient dit voor risico van appellant te komen. Het
College is van oordeel dat het CBE dit standpunt terecht heeft ingenomen. Over het verbod op willekeur overweegt het College dat appellant niet inzichtelijk heeft gemaakt dat andere studenten met minder studiepunten wel zijn doorgelaten naar het tweede studiejaar, zodat zijn stelling dat de Hogeschool Rotterdam in strijd met dit verbod heeft gehandeld reeds hierom niet kan slagen.

Downloads