Skip content

2017/200/CBE

Beroep tegen de beslissing van het CBE van de Hogeschool van Amsterdam waarbij het administratief beroep van appellant tegen de beslissing van de Examencommissie om namens de decaan aan hem een bindend negatief studieadvies te verstrekken voor de opleiding Commerciële Economie, ongegrond is verklaard.

Zaaknummer: 2017/200
Zittingsdag: Woensdag 14 februari 2018 Middag
Datum uitspraak: 06-03-2018
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

2.4. De bevoegdheid van het instellingsbestuur om nadere regels te stellen omtrent het bindend negatief studieadvies is gegeven in artikel 7.8b, zesde lid, van de WHW. Ingevolge het zevende lid van dat artikel wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald welke persoonlijke omstandigheden, bedoeld in het derde lid, het instellingsbestuur in zijn beoordeling betrekt. In artikel 2.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WHW is geregeld welke persoonlijke omstandigheden dat zijn. In de OER is niet geregeld wat onder het begrip “persoonlijke omstandigheden” moet worden verstaan. Reeds hierom moet, zoals namens het CBE ter zitting ook is toegelicht, onder het begrip “persoonlijke omstandigheden“ in de OER hetzelfde worden verstaan als daaronder wordt verstaan in de WHW, zoals nader geregeld in het Uitvoeringsbesluit WHW.
De door appellant genoemde omstandigheden, waarvan hij een aantal bij e-mail van 3 april 2017 aan de studentendecaan heeft gemeld, zijn geen persoonlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WHW die ingevolge artikel 7.8b, derde en zevende lid, van de WHW bij de beoordeling of de student niet geschikt moet worden geacht voor de opleiding moeten worden betrokken.
Met betrekking tot de vraag het CBE aanleiding had moeten zien voor toepassing van de hardheidsclausule overweegt het College het volgende. De studentendecaan heeft de e-mail van appellant van 3 april 2017 beantwoord en daarbij verwezen naar het inloopspreekuur, waar appellant terecht kan met zijn vragen. Hierop heeft appellant niet gereageerd, evenmin is hij op een inloopspreekuur geweest. Voorts heeft het CBE in het verweerschrift toegelicht dat appellant vanaf het begin van het studiejaar aan het onderwijs heeft kunnen deelnemen en op 26 september 2016 twee voldoendes heeft gehaald. Appellant is niet beschuldigd van plagiaat maar heeft een onvoldoende voor een verslag gekregen omdat hij onvoldoende inzicht kon geven in de herkomst van zijn resultaten. Dit heeft geleid tot een administratief beroep dat het CBE ongegrond heeft verklaard en waartegen appellant geen beroep heeft ingesteld. Over een weigering van appellant bij een toets wegens gebrek aan plaatsen en het niet mogen maken van een herkansing omdat hij niet was ingeschreven, heeft het CBE in het verweerschrift toegelicht dat appellant zich voor beide toetsen niet tijdig heeft aangemeld. Ook dit heeft geleid tot een administratief beroep dat het CBE ongegrond heeft verklaard en waartegen appellant geen beroep heeft ingesteld. Ten aanzien van het vak waarover appellant stelt dat hij wegens een conflict met een docent niet aan een herkansing mocht deelnemen, heeft het CBE toegelicht dat appellant niet voldeed aan de voorwaarden voor een herkansing, omdat hij geen volledig portfolio had ingeleverd. Tegen een beslissing hieromtrent had appellant kunnen opkomen. Niet is gebleken dat hij van die mogelijkheid gebruik heeft gemaakt. Het College is van oordeel dat het CBE zich onder deze omstandigheden in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er voor toepassing van een hardheidsclausule geen aanleiding is.
De slotsom is dat aan appellant een BNSA mocht worden gegeven.
Het betoog faalt.

Downloads