Skip content

2017/203/CBE

Beroep tegen de beslissing van het College van Beroep voor de Examens van de Erasmus Universiteit Rotterdam waarbij het administratief beroep van appellant tegen de beslissing van de examencommissie van de Erasmus School of Law om aan hem namens de --- een bindend negatief studieadvies te verstrekken voor de bacheloropleidingen Rechtsgeleerdheid en Fiscaal Recht, ongegrond is verklaard.

Zaaknummer: 2017/203
Zittingsdag: Donderdag 4 januari 2018
Datum uitspraak: 28-03-2018
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

2.3. Appellant kan zich niet verenigen met deze beslissing van verweerder. Hij voert aan dat verweerder heeft miskend dat de examencommissie hem niet heeft gehoord, alvorens zij tot haar beslissing is gekomen. Evenmin heeft de examencommissie volgens hem een poging tot een minnelijke schikking gedaan. Bovendien is ten onrechte geen verslag van de hoorzitting door verweerder opgemaakt.
2.3.1. Verweerder heeft aangevoerd dat de examencommissie alle studenten die een voornemen tot afgifte van een bindend negatief studieadvies hadden ontvangen, in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord op 14, 15 of 16 augustus 2017. Ter zitting van het College heeft verweerder toegelicht dat een groot aantal beslissingen over het bindend negatief studieadvies worden genomen en dat daarom drie dagen zijn gereserveerd voor het horen, waarbij ook drie commissieleden zijn vrijgemaakt. Het College stelt vast dat appellant tijdig is uitgenodigd op een van de drie dagen te verschijnen. De examencommissie heeft appellant, omdat hij verhinderd was, bovendien in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze schriftelijk in te dienen. Van die gelegenheid heeft appellant gebruik gemaakt. Gelet op deze omstandigheden heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien de bestreden beslissing van de decaan te vernietigen.
Wat de minnelijke schikking betreft, heeft de examencommissie appellant uitgenodigd voor een gesprek. Dat gesprek heeft telefonisch plaatsgevonden tussen de vicevoorzitter, de secretaris van de examencommissie en appellant. Niet valt in te zien dat de examencommissie daarmee niet aan haar in artikel 7.61, derde lid, van de WHW neergelegde verplichting heeft voldaan. Dat het niet tot een schikking is gekomen, is daartoe onvoldoende.
Ten slotte heeft verweerder niet in strijd met artikel 7:21 van de Awb gehandeld door het verhandelde ter hoorzitting van verweerder te verwerken in haar beslissing van 9 oktober 2017
[…]
2.4.1. Vaststaat dat appellant, na zijn derde jaar van inschrijving, het eerste jaar van de bacheloropleiding niet heeft afgerond en daarmee niet aan de voor hem geldende norm heeft voldaan. Verweerder heeft, de decaan volgend, in dit kader overwogen dat de enkele omstandigheid dat appellant voor de derde keer een bestuursfunctie heeft bekleed, niet betekent dat had moeten worden afgezien van de afgifte van een bindend negatief studieadvies. Naar het oordeel van het College heeft verweerder de beslissing van de decaan op goede gronden in stand gelaten. Dat in eerdere studiejaren aan appellant is meegedeeld dat hij het eerste bachelorjaar volledig diende te behalen, maar dat aan het niet-
behalen geen gevolgen zijn verbonden, leidt niet tot een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. In de beslissing van augustus 2016 is, zoals verweerder heeft betoogd, expliciet als voorwaarde opgenomen dat appellant het eerste jaar van zijn bacheloropleiding op 31 augustus 2017 volledig behaald diende te hebben. Appellant had er daarom op bedacht moeten zijn dat hij aan die norm diende te voldoen, ook al was een soortgelijke in het voorgaande jaar opgelegde voorwaarde niet toegepast. Dat geldt temeer nu de examencommissie het verzoek van appellant van 14 maart 2017, waarin hij om toepassing van de hardheidsclausule in het kader van het bindend studieadvies verzocht, namens de decaan had afgewezen. Bij zijn beslissing heeft verweerder voorts in aanmerking kunnen nemen dat appellant, ondanks de hem opgelegde voorwaarde dat hij op 31 augustus 2017 zijn eerste jaar diende te hebben afgerond, het vak inleiding privaatrecht in het studiejaar 2016-2017 niet heeft afgelegd, hoewel hem vrijstelling daarvoor was geweigerd, zodat ook zijn studieresultaten geen aanleiding gaven af te zien van het geven van een bindend negatief studieadvies.
Uitspraak in de zaak tussen: [naam], wonende te [woonplaats], appellant,
en

Downloads