Skip content

2017/211.1 CBE

Verzoek tot een voorlopige voorziening in afwachting van een beslissing op beroep 2017/211/CBE.

Zaaknummer: 2017/211.1
Zittingsdag: Woensdag 22 november 2017
Datum uitspraak: 28-11-2017
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

2.4.2. Vaststaat dat appellante in het eerste jaar van haar studie 0 van de vereiste 45 nominale studiepunten van de propedeutische fase heeft behaald en dat zij derhalve niet heeft voldaan aan de norm als bedoeld in artikel 2.1 van de Regeling.
2.4.3. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat het CBE ten onrechte de beslissing van het bestuur om haar een BNSA te geven, heeft gehandhaafd. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat weliswaar aannemelijk is dat appellante door de door haar aangevoerde persoonlijke omstandigheden is gehinderd in haar studieprestaties, maar dat deze omstandigheden niet van dien aard zijn dat deze de volledige studievertraging kunnen verklaren. Uit de door appellante overgelegde hinderverklaring blijkt dat appellante is gehinderd bij het studeren en dat dit van enige invloed is geweest op haar studieprestaties, maar hieruit blijkt niet dat zij in het geheel geen studieprestaties heeft kunnen leveren. Ook uit de door appellante overgelegde verklaring van de huisarts blijkt niet dat zij door haar persoonlijke omstandigheden in het geheel geen studieprestaties heeft kunnen leveren. De voorzieningenrechter betrekt bij zijn oordeel dat het gemiddelde cijfer van de door appellante afgelegde tentamens zeer laag is. Voorts betrekt de voorzieningenrechter daarbij dat de plaatsvervangend voorzitter ter zitting heeft gemeld dat, de door appellante na het BNSA afgelegde tentamens, die in afwachting van deze procedure nog niet zijn geregistreerd, ook onvoldoende zijn gemaakt ofschoon appellante ter zitting heeft verklaard dat zich geen persoonlijke omstandigheden meer voor doen. Nu de persoonlijke omstandigheden er niet de enige oorzaak van zijn dat appellante niet aan de studienorm heeft voldaan, bestaat geen grond voor de stelling dat artikel 5.7 van de Regeling er aan in de weg staat haar een BNSA te geven.
Voorts bestaat geen grond voor de stelling dat niet alle persoonlijke omstandigheden bij de besluitvorming zijn meegewogen. Zoals blijkt uit de beslissing van het CBE alsook uit het verweerschrift en de poging tot een minnelijke schikking is niet alleen de hinderverklaring in het advies betrokken, maar zijn ook andere persoonlijke omstandigheden in het advies betrokken. Wat betreft de problemen met de inschrijving, waardoor appellante drie weken niet heeft kunnen deelnemen aan colleges, overweegt de voorzieningenrechter dat dit geen persoonlijke omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 2.1. van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008.
Voorts kan appellante niet worden gevolgd in de stelling dat zij onvoldoende steun van de universiteit heeft ontvangen, omdat zij geen studieplan heeft ontvangen. Daartoe wordt overwogen dat appellante in januari 2017 door de studieadviseur is opgeroepen, waarbij de voortgang van haar studie is besproken. De studieadviseur heeft appellante geadviseerd om zich voor 1 februari 2017 uit te schrijven om vervolgens met ingang van 1 september 2017 opnieuw met de opleiding te beginnen. Dit advies is door appellante niet opgevolgd. Gelet op het geheel ontbreken van studiepunten alsmede het zeer lage gemiddelde van de afgelegde tentamens kon niet in redelijkheid van de studieadviseur worden gevergd een alternatief studieplan aan appellante aan te bieden.
Het betoog faalt.

Downloads