Skip content

2017/212/CBE

Beroep tegen de beslissing van het College van Beroep voor de Examens van Hogeschool Inholland waarbij het administratief beroep van appellant tegen de beslissing van de directeur van het domein Business, Finance & Law hem voor de opleiding Bedrijfseconomie een bindend negatief studieadvies te verstrekken, ongegrond is verklaard.

Zaaknummer: 2017/212
Zittingsdag: Maandag 19 maart 2018
Datum uitspraak: 29-03-2018
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

2.5.1. Het College stelt voorop dat op grond van het bepaalde in artikel 7.8b aan appellant slechts een BNSA kan worden gegeven, indien hij met inachtneming van zijn persoonlijke omstandigheden, niet geschikt moet worden geacht voor de opleiding, doordat zijn studieresultaten niet voldoen aan de vereisten die daarover zijn vastgesteld. Anders dan appellant stelt, heeft het CBE geen onjuiste toetsingsmaatstaaf gehanteerd. Door te overwegen dat de prestaties van appellant in het tweede studiejaar niet het vertrouwen geven dat appellant binnen redelijke termijn zal afstuderen, heeft het CBE voornoemde toetsingsmaatstaf slechts ingekleurd. Vaststaat dat appellant aan het einde van het tweede studiejaar zijn propedeuse niet heeft behaald en aldus niet heeft voldaan aan de studienorm als bedoeld in artikel 12, vijfde lid, van de OER. Voorts heeft appellant in het tweede studiejaar slechts 18 studiepunten, waarvan vier van de propedeuse, weten te behalen. Het College is met het CBE van oordeel dat de door appellant naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden niet het gehele tekort aan studiepunten kunnen verklaren. Daartoe acht het College van belang dat appellant ter zitting van het College heeft medegedeeld dat de situatie rond zijn oma en de problemen die zijn drugsverslaafde broer veroorzaakt voor het gezin vanaf het einde van het tweede blok van het tweede studiejaar slechter werden. Deze persoonlijke omstandigheden kunnen dan ook niet het niet behalen van de propedeusevakken ‘Algemene Economie’ en ‘Recht 2: Ondernemingsrecht’, die in de eerste twee blokken werden gegeven, geheel verklaren. Het College vindt hiervoor bevestiging in de e-mail van appellant van 3 september 2017, gericht aan de geschillenadviescommissie. In deze e-mail koppelt appellant zijn persoonlijke omstandigheden uitsluitend aan het niet behalen van het propedeusevak ‘Recht 1: Inleiding ’. Bij de overige twee niet behaalde propedeusevakken, ‘Algemene Economie’ en ‘Recht 2: Ondernemingsrecht’ wijt appellant het niet behalen van deze vakken niet aan persoonlijke omstandigheden. In de e-mail merkt appellant bij het vak ‘Algemene Economie’ slechts op dat hij het niet eens is met de 5.4 en bij het vak ‘Ondernemingsrecht’ merkt hij op dat hij weet dat hij bij een herkansing een hoger cijfer dan een 5.0 zal halen. Daarnaast heeft appellant bij het CBE verklaard dat hij de lessen van Ondernemingsrecht niet allemaal had gevolgd, omdat hij dacht dat de stof hetzelfde was als het jaar daarvoor, waarna hij bij het tentamen merkte dat dit anders was. Nu appellant niet aan de studienorm heeft voldaan en de persoonlijke omstandigheden niet het gehele tekort aan studiepunten kunnen verklaren, is het College met het CBE van oordeel dat, gelet op voornoemde toetsingsmaatstaf, aan appellant terecht een BNSA is gegeven. Het betoog faalt.

Downloads