Skip content

2017/214/CBE

Beroep tegen de beslissing van het College van Beroep voor de Examens van de Hogeschool van Amsterdam waarbij het administratief beroep van appellante tegen de beslissing van de Examencommissie van de opleiding Human Resource Management haar een bindend negatief studieadvies te verstrekken, ongegrond is verklaard.

Zaaknummer: 2017/214
Zittingsdag: Maandag 19 februari 2018
Datum uitspraak: 12-03-2018
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

2.3.2 Appellante heeft zich beroepen op persoonlijke omstandigheden. Zij heeft aangevoerd klachten van medische aard, te weten angstaanvallen en hyperventilatie, te hebben ontwikkeld in de zomervakantie vóór de aanvang van haar studie en dat deze klachten zich voor het eerst in hevige mate manifesteerden in de beginfase van haar studie. In het najaar van 2016 heeft zij contact opgenomen met een studentenpsycholoog van de hogeschool, omdat haar klachten psychisch van aard waren. De sessies met de studentenpsycholoog hebben enigszins geholpen, maar de hevige angstaanvallen en hyperventilatie zijn gebleven. Daarom heeft appellante begin april 2017 voor het eerst gesproken met een psychiater.
Uit hetgeen appellante heeft aangevoerd volgt dat de persoonlijke omstandigheden waarop zij zich heeft beroepen, zich reeds aan het begin van het studiejaar in 2016 voordeden. Reeds daarom kan zij niet worden gevolgd in haar standpunt dat zij deze omstandigheden tijdig heeft gemeld door deze op 22 juni 2017 aan de studenten-decaan te melden. Appellante had haar persoonlijke omstandigheden eerder kenbaar moeten maken aan de studentendecaan. Dat zij hoopte of verwachtte dat zij haar achterstand nog kon inhalen, is geen reden om dat achterwege te laten en komt daarom voor haar risico. Het CBE heeft er in dit verband ook terecht op gewezen dat appellante in maart 2017 door middel van een brief onder andere is gewezen op het belang contact op te nemen met de studenten-decaan indien persoonlijke omstandigheden studievertraging verklaren.
Het CBE heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat doordat appellante haar persoonlijke omstandigheden niet eerder heeft gemeld, de studentendecaan haar niet heeft kunnen begeleiden noch monitoren gedurende de periode waarin de persoonlijke omstandigheden hebben gespeeld. Daardoor heeft de studentendecaan ook niet kunnen vaststellen of er causaal verband bestaat tussen die omstandigheden en de studievertraging. In dit kader verwijst het CBE onder meer naar het advies van de studentendecaan van 11 juli 2017, waarin is vermeld dat de melding in een dusdanig laat stadium is gedaan dat het causale verband niet meer is vast te stellen. Anders dan appellante aanvoert, heeft zij niet op andere wijze aannemelijk gemaakt dat haar persoonlijke omstandigheden haar studieresultaten zodanig nadelig hebben beïnvloed dat zij de norm niet heeft kunnen behalen. Uit de door haar overgelegde medische verklaringen van 22 juni en 5 juli 2017 volgt namelijk niet of en zo ja, in welke mate, haar medische omstandigheden een effect op de studievoortgang hebben gehad. Daarmee is, zoals het CBE op goede gronden stelt, niet vastgesteld dat de naar voren gebrachte medische omstandigheden de oorzaak waren van de studievertraging.
Gezien het voorgaande ziet het College in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het CBE ten onrechte de beslissing van de examencommissie om appellante een bindend negatief studieadvies te geven, heeft gehandhaafd. Het betoog faalt.
2.4. Verder voert appellante aan dat ten onrechte niet hangende haar beroep bij het CBE is geprobeerd om tot een minnelijke schikking te komen. Volgens de beslissing van 10 oktober 2017 heeft het CBE het beroep doorgezonden aan de examencommissie met het doel om de mogelijkheid te onderzoeken om tot een minnelijke schikking te komen. De examencommissie heeft daar echter geen gehoor aan gegeven en ook niet gemotiveerd waarom dit achterwege is gelaten, aldus appellante.
2.4.1. Appellante kan niet worden gevolgd in dit betoog. Het CBE heeft namelijk gemotiveerd toegelicht dat het beroep van appellante aan de examencommissie heeft doorgezonden en dat zij op 5 september 2017 door de examencommissie is gehoord naar aanleiding van het door haar bij het CBE ingestelde beroep. Hetgeen appellante tijdens dit gesprek naar voren heeft gebracht, gaf de examencommissie echter geen aanleiding om tot een minnelijke schikking te komen, aldus het CBE. Het betoog faalt.

Downloads