Skip content

2017/217/CBE

Beroep tegen de beslissing van het CBE van de Hogeschool van Amsterdam waarbij het administratief beroep van appellante tegen de beslissing van de Examencommissie om haar namens de decaan een bindend negatief studieadvies te verstrekken voor de opleiding tot Leraar voortgezet onderwijs van de tweede graad in wiskunde, ongegrond is verklaard.

Zaaknummer: 2017/217
Zittingsdag: Vrijdag 23 februari 2018
Datum uitspraak: 08-03-2018
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

2.4. Bij het geven van een BNSA dient het instellingsbestuur de persoonlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WHW in acht te nemen. De omstandigheden die appellante noemt over instellingscollegegeld, studiefinanciering, gezin, vrijwilligerswerk en een deeltijdbaan, zijn geen omstandigheden als bedoeld in de voormelde bepaling. Het komt voor haar rekening dat appellante onder de omstandigheden zoals door haar geschetst aan de opleiding is begonnen. Evenmin zijn de omstandigheden dat zij zeer gemotiveerd is, haar werkgever graag wil dat ze de opleiding afrond en zij was genomineerd voor de verkiezing “leraar van het jaar”, persoonlijke omstandigheden als bedoeld in de voormelde bepaling. Dit staat derhalve niet in de weg aan het geven van een BNSA.
Op 16 mei 2017 heeft appellante de studentendecaan gemaild en op 18 mei 2017 heeft zij met de studentendecaan gesproken. Appellante heeft daarbij melding gemaakt van het overlijden van een leerling van haar en van haar ADHD. In verband hiermee heeft de studentendecaan geadviseerd voor appellante een norm van 45 studiepunten te hanteren, hetgeen betekende dat zij in blok 4 drie van de zes tentamens moest halen. Ter zitting is namens het CBE toegelicht dat de studentendecaan heeft verklaard dat hij met appellante had afgesproken dat zij onmiddellijk na de tentamens van blok 4 nogmaals zou langskomen. Van blok 4 heeft appellante slechts één tentamen gehaald. Zij heeft niet onmiddellijk na de tentamens contact gezocht met de studentendecaan. Als gevolg daarvan heeft de studentendecaan niet kunnen vaststellen in hoeverre het niet behalen van de overige tentamens van blok 4 het gevolg was van de door appellante gemelde persoonlijke omstandigheden. Het CBE heeft in het verweerschrift vermeld dat de studentendecaan heeft verklaard dat appellante ten aanzien van haar ADHD tijdens het gesprek op 18 mei 2017 te kennen heeft gegeven dat zij geen behoefte heeft aan extra voorzieningen en dat zij haar functiebeperking door medicijngebruik redelijk onder controle heeft. Appellante heeft een verklaring van 17 september 2015 van een psycholoog en klinisch psycholoog overgelegd waaruit blijkt dat zij in 2010 is gediagnosticeerd met ADHD. Op de voormelde datum is de behandeling afgesloten omdat appellante goed is ingesteld op de medicatie en geen hulpvraag meer heeft. Nu appellante zich niet eerder dan op 16 mei 2017 heeft gemeld bij de studentendecaan en met de verklaring van de psychologen van 17 september 2015 niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij gedurende het studiejaar 2016-2017 in ruime of ernstige mate is gehinderd door haar ADHD, is voldoende rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van appellante en heeft het CBE zich, mede gelet op het aantal door appellante behaalde studiepunten, op het standpunt mogen stellen dat de examencommissie haar een BNSA heeft mogen geven.

Downloads