Skip content

2017/220/CBE

Beroep tegen de beslissing van het College van Beroep voor de Examens van de Hogeschool van Amsterdam waarbij het administratief beroep van appellante tegen de beslissing van de examencommissie om haar namens de decaan een bindend negatief studieadvies te verstrekken voor de opleiding Aviation, ongegrond is verklaard.

Zaaknummer: 2017/220
Zittingsdag: Woensdag 10 januari 2018
Datum uitspraak: 20-02-2018
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

2.4. Niet in geschil is dat appellante niet het voor een positief studieadvies vereiste aantal van 60 studiepunten van de propedeuse heeft gehaald. De studentendecaan heeft op 14 juli 2017 te kennen gegeven dat appellante gedurende het studiejaar persoonlijke omstandigheden heeft gemeld maar dat deze omstandigheden de studieachterstand niet verklaren. In september 2017 heeft appellante opnieuw met de studentendecaan gesproken, waarna de studentendecaan heeft geadviseerd wegens persoonlijke omstandigheden geen BNSA te geven. De decaan heeft dit advies niet gevolgd omdat volgens hem niet aannemelijk is dat de persoonlijke omstandigheden de studieachterstand hebben veroorzaakt. Appellante heeft de vakken Basiswiskunde en Statistiek van de propedeuse niet gehaald. Het vak Basiswiskunde bestaat uit drie deeltoetsen die elk twee keer kunnen worden afgelegd. Appellante heeft niet deelgenomen aan de eerste toetskans van twee deeltoetsen, waarvoor de door haar aangevoerde persoonlijke omstandigheden geen verklaring vormen. Voorts heeft appellante tijdens de BNSA-hoorzitting op 17 juli 2017 verklaard dat zij het vak Basiswiskunde erg moeilijk vindt en dat het aan haar zelf ligt dat zij dat vak niet heeft gehaald. Naar het oordeel van het College mocht de decaan daarom afwijken van het laatste advies van de studentendecaan en appellante het BNSA geven. Hierbij wordt voorts in aanmerking genomen dat verweerder in zijn verweerschrift en ter zitting van het College heeft toegelicht dat appellante tijdens haar contact met de studentendecaan in september 2017 geen melding heeft gemaakt van de hiervoor weergegeven door haar tijdens de BNSA-hoorzitting afgelegde verklaringen. Er bestaat voorts geen grond voor het oordeel dat in de bestreden beslissing een nadere belangenafweging in het licht van het belang van appellante om haar studie voort te zetten had moeten worden gemaakt. Een verplichting om een dergelijke nadere belangenafweging te maken, zou niet passen in het geheel van regels over het bindend studieadvies, neergelegd in artikel 7.8b van de WHW, waarin het belang van de student om zijn studie voort te zetten moet worden geacht te zijn verdisconteerd. Appellante heeft voorts, in weerwil van de ontkenning ervan van de kant van de decaan, onvoldoende onderbouwd dat haar tijdens de BNSA-hoorzitting is toegezegd dat een voor haar positief advies van de studentendecaan zou worden gevolgd. Evenmin heeft zij aannemelijk gemaakt dat de twee door haar bedoelde studenten in een met de hare vergelijkbare situatie verkeerden. In de zaak van een van die studenten heeft appellante een beslissing van verweerder overgelegd waarbij het administratief beroep tegen het de die student gegeven BNSA wegens een motiveringsgebrek gegrond is verklaard. Uit die beslissing blijkt voorts dat de situatie en het verloop van de procedure van die student niet vergelijkbaar zijn met die van appellante. Over de tweede door haar bedoelde student heeft appellante geen nadere informatie verstrekt. Het betoog faalt.

Downloads