Skip content

2017/223/CBE

Beroep tegen de beslissing van het CBE van de Erasmus universiteit Rotterdam waarbij het administratief beroep van appellante tegen de beslissing cvan de Examencommissie ESL om haar namens de decaan van de Erasmus School of Law een bindend negatief studieadvies voor de opleiding Rechtsgeleerdheid te geven, ongegrond is verklaard.

Zaaknummer: 2017/223
Zittingsdag: Donderdag 1 maart 2018
Datum uitspraak: 26-04-2018
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

2.4.1 Een hoger onderwijsinstelling kan op grond van het bepaalde in artikel 7.8b van de WHW slechts een BNSA aan een student geven, indien de student met inachtneming van zijn persoonlijke omstandigheden niet geschikt moet worden geacht voor de opleiding doordat zijn studieresultaten niet voldoen aan de vereisten die daarvoor zijn gesteld.
2.4.2 Of een student niet geschikt moet worden geacht voor een opleiding als bedoeld in voormelde bepaling van de WHW, is door de Erasmus Universiteit Rotterdam vertaald in de studievoortgangs-norm neergelegd in artikel 54 van de OER. Voor voltijdstudenten van de bacheloropleiding Rechtsgeleerdheid geldt een studie-voortgangsnorm van 60 studiepunten van het eerste jaar van de bacheloropleiding na het eerste jaar van inschrijving. Het CBE heeft ter zitting van het College toegelicht dat deze norm weloverwogen is vastgesteld. Met de norm wordt beoogd studenten zo goed mogelijk het eerste studiejaar te laten doorlopen en met een schone lei aan het tweede jaar te laten beginnen. De norm sluit aan bij het in 2012 geïntroduceerde onderwijsconcept “Nominaal = Normaal”, waarover intensief overleg is gevoerd met de academische gemeenschap van de Erasmus Universiteit Rotterdam. De universiteit heeft in 2011 een pilot met de studievoortgangsnorm bij één faculteit van de Erasmus Universiteit Rotterdam gedaan. Deze is vervolgens onderzocht en geëvalueerd en op basis van de uitkomsten ook bij de andere faculteiten ingevoerd. De norm gaat gepaard met een reeks flankerende maatregelen. Dat pakket leidt in onderlinge samenhang tot een betere studievoortgang en studeerbaarheid, in het belang van de student zelf, aldus het CBE. Het CBE heeft toegelicht dat eerstejaarsstudenten een goed gefaciliteerde studieomgeving wordt geboden, met activerend onderwijs, veel tussentijdse toetsmomenten en opdrachten, minder herkansingen en meer compensatiemogelijkheden. Hierdoor krijgen studenten optimaal de kans de de studievoortgangsnorm te behalen. Massaal onderwijs heeft plaats gemaakt voor kleinschalig activerend (probleemgestuurd) onderwijs, aldus het CBE. Zo worden de kernactiviteiten veelal in groepen van maximaal tien studenten uitgevoerd, onder begeleiding van een tutor. Daarbij wordt ook op participatie getoetst. Deze onderwijsvorm stelt de tutor in staat vroegtijdig problemen bij studenten te signaleren. Verder worden vakken serieel in plaats van parallel aangeboden, waardoor alle aandacht van een student naar één vak kan uitgaan. De Erasmus School of Law kent verder de Compensatieregeling op basis waarvan studenten alle vijven in het eerste jaar kunnen compenseren. Daarnaast mogen studenten gedurende het propedeusejaar twee vakken herkansen. De eerste herkansing vindt plaats kort na blok 2. Een student kan door deze versnelde herkansing nog vóór 1 februari beoordelen of de eventuele slechte resultaten van blokken 1 en 2 als een opstartprobleem kwalificeren dan wel of de opleiding toch minder geschikt blijkt te zijn voor de student. De tweede herkansing vindt plaats in de zomer. Vóór de start van het eerste jaar wordt aan aankomende studenten verder nog een zogenoemd “pre-academic program” aangeboden, waarbij aandacht wordt besteed aan het met goed gevolg kunnen doorlopen van het eerste studiejaar. Het CBE heeft er voorts nog op gewezen dat een student in het kader van een BNSA ook altijd nog een beroep op persoonlijke omstandigheden kan doen en dat de Erasmus Universiteit Rotterdam aangevoerde omstandigheden zorgvuldig afweegt bij haar besluitvorming. Ook heeft het CBE erop gewezen dat de OER voorziet in de toepassing van een hardheidsclausule voor die gevallen waarin de voortgangsnorm onredelijk uitpakt. Appellante heeft het vorenstaande niet betwist.
Het College overweegt dat de WHW het vaststellen van de studievoortgangsnorm overlaat aan de instellingen. Slechts als deze in strijd is met de wet of kennelijk onredelijk is, kan het College het algemeen verbindend voorschrift waarin de norm is opgenomen buiten toepassing laten. Hoewel de norm van 60 studiepunten hoog is, is het College van oordeel dat deze in het geval van deze opleiding in overeenstemming is met doel en strekking van de WHW en niet kennelijk onredelijk is. Daarbij neemt het College in aanmerking dat de studievoortgangsnorm een deel is van een pakket van maatregelen dat studenten in staat stelt deze norm ook te behalen in één studiejaar. De Compensatieregeling heeft daarbij een matigende werking op de hoogte van de norm, onder meer omdat het aantal vijven dat kan worden gecompenseerd in beginsel niet is beperkt. Dat leidt tot de conclusie dat de norm niet in strijd met de wet is en het stellen daarvan evenmin kennelijk onredelijk is.
2.4.3 Het is het College gelet op voormelde toelichting van het CBE niet gebleken dat de Erasmus Universiteit Rotterdam de vastgestelde studievoortgangsnorm voor andere doelen heeft gebruikt dan waarvoor deze ingevolge artikel 7.8b van de WHW is bedoeld. Van détournement de pouvoir is derhalve geen sprake.
2.4.4 Het CBE heeft terecht geoordeeld dat de Compensatieregeling niet op appellante van toepassing is. Deze regeling is van toepassing indien een student de tentamens voor alle acht eerstejaarsvakken in het eerste studiejaar heeft afgelegd en voor de vakken minimaal een vijf heeft behaald. Appellante heeft het tentamen voor het onderdeel Rechtssociologie niet afgelegd. Het CBE heeft derhalve terecht vastgesteld dat appellante aan het einde van het eerste studiejaar 37,5 van de 60 benodigde studiepunten voor de propedeutische fase heeft behaald.
2.4.5 Dat appellante als gevolg van haar arrestatie niet heeft kunnen deelnemen aan het onderdeel Rechtssociologie op 30 juni 2017 heeft de decaan aangemerkt als een overmachtssituatie. Zij was derhalve aangewezen op het hertentamen op 14 juli 2017. Appellante heeft niet aan dit hertentamen kunnen deelnemen omdat zij in Curaçao verbleef voor een familiereünie. Het CBE heeft de decaan terecht gevolgd in het oordeel dat dit geen persoonlijke omstandigheid is als bedoeld in artikel 57 van de OER en dat de gevolgen van dit verblijf in het buitenland voor rekening en risico van appellante dienen te komen. Appellante heeft de reis geboekt in mei 2017 en is op 1 juli 2017 naar Curaçao vertrokken. De datum voor het hertentamen was reeds vóór aanvang van het studiejaar bekendgemaakt door de universiteit. Bij het boeken van de reis
heeft appellante er echter niet voor gekozen om eerst het resultaat van het tentamen van 30 juni 2017 af te wachten. Verder was appellante op 1 juli 2017 ervan op de hoogte dat zij voor twee van de zeven afgelegde eerstejaarsvakken een vijf had behaald. Op dat moment wist dan wel behoorde zij te weten dat het aankwam op het afleggen en behalen van het onderdeel Rechtssociologie. Desondanks is appellante naar Curaçao vertrokken. Voor zover appellante heeft gesteld dat zij haar 15-jarige nichtje moest begeleiden, acht het College niet aannemelijk dat het nichtje uitsluitend op appellante was aangewezen en geen beroep kon doen op andere familieleden. De desbetreffende familiereünie waarvoor appellante naar Curaçao was afgereisd, vond verder pas plaats op 12 augustus 2017, te weten vier weken na het hertentamen. Appellante heeft er echter voor gekozen al voor het hertentamen te vertrekken. Dat appellante de heenvlucht in verband met haar arrestatie en gelet op de financiële consequenties van annulering niet meer kon verzetten, dient ook voor haar rekening en risico te komen.
2.4.6 De beslissing van de examencommissie tot afwijzing van het verzoek om een extra hertentamen voor het onderdeel Rechtssociologie is onherroepelijk en kan in deze procedure niet aan de orde worden gesteld. Gelet hierop wordt niet ingegaan op hetgeen appellante op dit punt heeft aangevoerd.

Downloads