Skip content

2017/229/CBE

Beroep tegen de beslissing van het CBE van de Hogeschool Rotterdam waarbij het administratief beroep tegen de afwijzende beslissing van de Examencommissie van de Willem de Kooningacademie op het verzoek tot herbeoordeling van het eindexamen, ongegrond is verklaard.

Zaaknummer: 2017/229
Zittingsdag: Vrijdag 23 februari 2018
Datum uitspraak: 20-03-2018
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

2.3.2. Hoewel het begrijpelijk is dat het voor appellante niet prettig was dat een examinator te laat was en dat zij andere examinatoren aantrof dan zij verwachtte, maakt dit niet dat de beoordeling niet zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Zoals het College eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 22 augustus 2014 in zaak nr. CBHO 2013/266), is het de bevoegdheid van de examencommissie om in het kader van de haar opgedragen taak om de kwaliteit van de opleiding te waarborgen de examinatoren aan te wijzen. De beoordeling van de herkansing van het eindexamen van appellante is verricht door door de examencommissie aangewezen examinatoren. Niet is gebleken dat er onvoldoende tijd was om het eindexamenwerk van appellante te beoordelen en bovendien is ter zitting namens de examencommissie toegelicht dat de examinatoren langs het werk van de studenten gaan, waardoor de daadwerkelijke beoordelingstijd steeds kan verschillen. Verder is ter zitting namens de examencommissie toegelicht dat de examinator die appellante op haar eindexamen verwachtte aan het herintreden was, nog niet volledig inzetbaar was en daarom niet ingezet is ten behoeve van het eindexamen van appellante. Dit verklaart waarom appellante de betreffende examinator op de dag van haar eindexamen wel heeft gezien op de hogeschool. Dat een examinator het onderzoeksdocument van appellante heeft goedgekeurd, maakt niet dat geen onvoldoende voor het eindexamen kon worden gegeven, nu het examen meer dan het onderzoeksdocument omvat. Voorts valt niet in te zien waarom het niet zou zijn toegestaan de deelbeoordeling van het onderzoeksdocument na het mondelinge eindexamen te geven. Ten aanzien van de stelling van appellante dat de beoordeling niet gemotiveerd is, overweegt het College dat zich in het dossier een feedback formulier bevindt waarin wordt toegelicht hoe het cijfer tot stand is gekomen. Ter zitting is namens de examencommissie toegelicht dat appellante geen juiste bronvermelding had, terwijl de student die wel is afgestudeerd een goede bronvermelding had opgenomen. Hetgeen appellante omtrent de tweede herkansings-mogelijkheid aanvoert, valt buiten de omvang van dit geding dat op de eerste herkansing betrekking heeft. Gelet op het voorgaande, ziet het College geen grond voor het oordeel dat bij de beoordeling van de eerste herkansing van het eindexamen van appellante niet is voldaan aan de voorschriften van procedurele aard die bij of krachtens de Awb, de WHW of enig andere wet in formele zin zijn gesteld. Het CBE heeft zich derhalve op het standpunt mogen stellen dat de examencommissie het verzoek van appellante om een herbeoordeling heeft mogen afwijzen. Het betoog faalt.

Downloads