Skip content

2017/242/CBE

Beroep tegen de beslissing van het CBE van de Universiteit Leiden waarbij het administratief beroep van appellant tegen de beslissing van de facultaire Examencommissie om hem namens het faculteitsbestuur een bindend negatief studieadvies te verstrekken, ongegrond is verklaard.

Zaaknummer: 2017/242
Zittingsdag: Woensdag 14 maart 2018 ochtend
Datum uitspraak: 27-03-2018
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

2.4. Verweerder heeft zich in zijn verweerschrift en ter zitting van het College op het standpunt gesteld dat appellant per aangetekend verzonden brief is uitgenodigd voor de hoorzitting van 18 oktober 2017, maar dat deze brief retour is gekomen omdat appellant deze niet heeft afgehaald van de desbetreffende postafhaallocatie. Hierbij heeft verweerder verwezen naar een kopie van een aan appellant geadresseerde brief van 28 september 2017, waarin appellant voor de hoorzitting wordt uitgenodigd, en een kopie van de achterzijde van de envelop waarin die brief is verzonden. Hieruit blijkt dat de brief op 30 september 2017 op het adres van appellant is aanboden, geruime tijd voor appellant heeft klaargelegen bij een postafhaallocatie en vervolgens op 18 oktober 2017 retour naar de universiteit is gestuurd. Naar het oordeel van het College zijn de gevolgen van het niet afhalen van deze brief voor appellant. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder appellant ondeugdelijk voor de hoorzitting heeft uitgenodigd. De enkele ter zitting van het College door appellant naar voren gebrachte stelling dat hij geen afhaalbericht heeft ontvangen, doet hieraan niet af. De stelling dat verweerder hem niet per e-mail voor de hoorzitting heeft uitgenodigd, doet hieraan evenmin af, nu verzending louter per aangetekende brief op zichzelf een deugdelijke manier van uitnodigen is.
In zoverre faalt het betoog.
2.5. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de hinderverklaring van 31 juli 2017 onzorgvuldig tot stand is gekomen of onjuist is. Appellant heeft voor het eerst op 30 juni 2017 contact opgenomen met zijn studieadviseur over zijn studieachterstand. Vervolgens heeft hij zich op 14 juli 2017 met zijn rugklachten tot het secretariaat van de afdeling Studie- en Studentenzaken gewend teneinde een hinderverklaring te verkrijgen. Uit een verklaring van 31 juli 2017 van de arts die de hinderverklaring heeft opgesteld blijkt dat appellant op die dag een consult bij die arts heeft gehad, waarbij over zijn klachten tijdens het studiejaar en zijn medische voorgeschiedenis is gesproken. Dat eerst aan het eind van het studiejaar onderzoek naar zijn medische situatie heeft plaatsgevonden, houdt verband met zijn late melding van medische omstandigheden en kan de universiteit niet worden verweten. Uit het medische stuk van 11 januari 2018, waarin zijn behandelaar forse, al jaren bij appellant bestaande rugklachten vermeldt, blijkt niet dat de arts die de hinderverklaring heeft opgesteld een onjuist beeld van de medische situatie van appellant had. Dit blijkt evenmin uit het door appellant ter zitting van het College overgelegde stuk van 12 maart 2018 van zijn fysiotherapeut. Appellant heeft zich ter verklaring van zijn studieachterstand beroepen op een verergering van de rugklachten aan het eind van december 2016, derhalve tijdens de kerstvakantie. Gelet hierop maakt de constatering van een studiebeperking vanaf 1 januari 2017 de hinderverklaring niet onjuist. Dat hem niet werd toegestaan een medische verklaring over te leggen, heeft appellant niet onderbouwd. Dat appellant naar zijn
zeggen niet wist dat aan de constatering van ernstige hinder een studiecapaciteit van circa 50% is gekoppeld, maakt de hinderverklaring evenmin onzorgvuldig tot stand gekomen of onjuist. Uit de medische stukken van 11 januari en 12 maart 2018 blijkt niet dat zijn studiecapaciteit een lager percentage bedroeg. Er bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat de medische situatie van appellant onjuist bij de beoordeling is betrokken. De ter zitting van het College door appellant ingenomen stelling dat zijn studieachterstand mede te wijten is aan ziekte in de eerste maanden van zijn opleiding kan aan het voorgaande niet afdoen, nu appellant zich hierop niet eerder heeft beroepen.
De verhuizingen van appellant kunnen voorts niet onder de in artikel 2.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WHW neergelegde limitatieve opsomming van persoonlijke omstandigheden worden geschaard, zodat het faculteitsbestuur deze niet als persoonlijke omstandigheden bij zijn beoordeling hoefde te betrekken.
Ook in zoverre faalt het betoog.

Downloads