Skip content

2017/245/CBE

Beroep tegen de beslissing van het CBE van de Erasmus universiteit Rotterdam waarbij het administratief beroep van appellante tegen de beslissing van de Examencommissie om haar namens de decaan van de Erasmus School of Law een bindend negatief studieadvies te verstrekken, ongegrond is verklaard.

Zaaknummer: 2017/245
Zittingsdag: Donderdag 1 maart 2018
Datum uitspraak: 26-04-2018
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

2.4.1 Een hoger onderwijsinstelling kan op grond van het bepaalde in artikel 7.8b van de WHW slecht een BNSA aan een student geven, indien de student met inachtneming van zijn persoonlijke omstandigheden niet geschikt moet worden geacht voor de opleiding doordat zijn studieresultaten niet voldoen aan de vereisten die daarvoor zijn gesteld.
2.4.2 Of een student niet geschikt moet worden geacht voor een opleiding als bedoeld in voormelde bepaling van de WHW, is door de Erasmus Universiteit Rotterdam vertaald in de studievoortgangsnorm neergelegd in artikel 48 van de OER. Voor voltijdstudenten van de bacheloropleiding Fiscaal recht geldt een studievoortgangsnorm van 60 studiepunten van het eerste jaar van de bacheloropleiding na het eerste jaar van inschrijving. Het CBE heeft ter zitting van het College toegelicht dat deze norm weloverwogen is vastgesteld. Met de norm wordt beoogd studenten zo goed mogelijk het eerste studiejaar te laten doorlopen en met een schone lei aan het tweede jaar te laten beginnen. De norm sluit aan bij het in 2012 geïntroduceerde onderwijsconcept “Nominaal = Normaal”, waarover intensief overleg is gevoerd met de academische gemeenschap van de universiteit. De universiteit heeft in 2011 een pilot met de studievoortgangsnorm bij één faculteit van de Erasmus Universiteit Rotterdam gedaan. Deze is vervolgens onderzocht en geëvalueerd en op basis van de uitkomsten ook bij de andere faculteiten ingevoerd. De norm gaat gepaard met een reeks flankerende maatregelen. Dat pakket leidt in onderlinge samenhang tot een betere studievoortgang en studeerbaarheid, in het belang van de student zelf, aldus het CBE. Het CBE heeft toegelicht dat eerstejaarsstudenten een goed gefaciliteerde studieomgeving wordt geboden, met activerend onderwijs, veel tussentijdse toetsmomenten en opdrachten, minder herkansingen en meer compensatiemogelijkheden. Hierdoor krijgen studenten optimaal de kans de studievoortgangsnorm te behalen. Massaal onderwijs heeft plaats gemaakt voor kleinschalig activerend (probleemgestuurd) onderwijs, aldus het CBE. Zo worden de kernactiviteiten veelal in groepen van maximaal tien studenten uitgevoerd, onder begeleiding van een tutor. Daarbij wordt ook op participatie getoetst. Deze onderwijsvorm stelt de tutor in staat vroegtijdig problemen bij studenten te signaleren. Verder worden vakken serieel in plaats van parallel aangeboden, waardoor alle aandacht van een student naar één vak kan uitgaan. De Erasmus School of Law kent verder de Compensatieregeling op basis waarvan studenten alle vijven in het eerste jaar kunnen compenseren. Daarnaast mogen studenten gedurende het propedeusejaar twee vakken herkansen. De eerste herkansing vindt plaats kort na blok 2. Een student kan door deze versnelde herkansing nog vóór 1 februari beoordelen of de eventuele slechte resultaten van blokken 1 en 2 als een opstartprobleem kwalificeren dan wel of de opleiding toch minder geschikt blijkt te zijn voor de student. De tweede herkansing vindt plaats in de zomer. Vóór de start van het eerste jaar wordt aan aankomende studenten verder nog een zogenoemd “pre-academic program” aangeboden, waarbij aandacht wordt besteed aan het met goed gevolg kunnen doorlopen van het eerste studiejaar. Het CBE heeft er voorts nog op gewezen dat een student in het kader van een BNSA ook altijd nog een beroep op persoonlijke omstandigheden kan doen en dat de universiteit aangevoerde omstandigheden zorgvuldig afweegt bij haar besluitvorming. Ook heeft het CBE erop gewezen dat de OER voorziet in de toepassing van een hardheidsclausule voor die gevallen waarin de voortgangsnorm onredelijk uitpakt. Appellante heeft het vorenstaande niet betwist.
Het College overweegt dat de WHW het vaststellen van de studievoortgangsnorm overlaat aan de instellingen. Slechts als deze in strijd is met de wet of kennelijk onredelijk is, kan het College het algemeen verbindend voorschrift waarin de norm is opgenomen buiten toepassing laten. Hoewel de norm van 60 studiepunten hoog is, is het College van oordeel dat deze in het geval van deze opleiding in overeenstemming is met het doel en de strekking van de WHW en niet kennelijk onredelijk is. Daarbij neemt het College in aanmerking dat de studievoortgangsnorm een deel is van een
pakket van maatregelen dat studenten in staat stelt deze norm ook te behalen in één studiejaar. De Compensatieregeling heeft daarbij een matigende werking op de hoogte van de norm, onder meer omdat het aantal vijven dat kan worden gecompenseerd in beginsel niet is beperkt. Dat leidt tot de conclusie dat de norm niet in strijd met de wet is en het stellen daarvan evenmin kennelijk onredelijk is.
2.4.3 De stelling dat geen sprake is van een voldoende studeerbaar programma, volgt het College gelet op het vorenstaande niet.
2.4.4 Uit het vorenstaande volgt dat de beroepsgrond faalt.

Downloads