Skip content

2018/024.5

Beroep tegen de beslissing van de Universiteit van Amsterdam waarbij het bezwaar van appellante tegen de weigering haar in te schrijven voor de bacheloropleiding Kunstgeschiedenis omdat niet tijdig is voldaan aan de betalingsverplichtingen en geen vrijstelling van de vooropleidingseisen op grond van buitenlandse diploma’s is verleend, ongegrond is verklaard.

Zaaknummer: 2018/024.5
Zittingsdag: Woensdag 14 februari 2018 Middag
Datum uitspraak: 20-03-2018
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

2.3. Appellante betoogt dat het Inschrijvingsbesluit niet overeenkomstig artikel 3:42, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bekend is gemaakt. Het is uitsluitend elektronisch gepubliceerd en niet in een van overheidswege uitgegeven blad.
2.3.1. Het Inschrijvingsbesluit houdt, zoals appellante ook onderkent, algemeen verbindende voorschriften in. Ingevolge artikel 3:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb is op een dergelijk besluit afdeling 3.6 van de Awb, waarvan artikel 3:42 onderdeel uitmaakt, niet van toepassing. Reeds hierom faalt het betoog. Overigens is het College van oordeel dat het Inschrijvingsbesluit met de publicatie op de externe website van de universiteit op zorgvuldige wijze en voldoende bekend is gemaakt.
2.4. Subsidiair betoogt appellante dat de in het Inschrijvingsbesluit opgenomen hardheidsclausule had moeten worden toegepast. Daartoe voert zij aan dat zij tijdig haar betalingsgegevens heeft ingevoerd, doch dat haar niet duidelijk was dat de invoer van die gegevens slechts betrekking had op de betalingsachterstand van het voorgaande studiejaar. In september heeft zij alsnog alles gedaan om de inschrijving te voltooien. De gevolgen van de afwijzing van de verzoeken zijn groot, nu appellante daardoor een jaar moet wachten voordat zij aan de opleidingen kan beginnen.
2.4.1. Het CvB heeft toegelicht dat aan appellante op 19 juli, 3 en 16 augustus en 13 september 2017 een bericht is verstuurd waarin zij er op is gewezen dat zij nog niet aan de betalingsverplichting voor studiejaar 2017-2018 heeft voldaan. Appellante heeft dit niet weersproken. Nadat appellante de openstaande vordering over het vorige studiejaar 2016-2017 had voldaan op 14 augustus 2017, had zij naar aanleiding van het bericht van 16 augustus 2017 onmiddellijk kunnen navragen waarom zij met haar betaling van 14 augustus niet aan die verplichting had voldaan en vervolgens tijdig haar betalingsverplichting voor het studiejaar 2017-2018 kunnen nakomen. Het CvB heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich geen bijzonder geval van onbillijkheid van overwegende aard voordoet. Het betoog faalt.

Downloads